Zelfstandige postbezorgers toch werkzaam op basis van arbeidsovereenkomst?

Uitgavejaar

2016


Uitgavenummer

264


Vindplaats

Kantonrechter Haarlem 18 december 2015, www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, 11230 en 11232


Uitspraak

De vervoersovereenkomsten die PostNL had gesloten met zelfstandige pakketbezorgers zijn in sommige gevallen wel en in andere gevallen niet te beschouwen als arbeidsovereenkomsten.

PostNL maakt voor de bezorging van pakketten gebruik van de diensten van ongeveer 1.100 zelfstandige pakketbezorgers. Deels betreft het zelfstandigen zonder personeel, maar deels gaat het ook om zelfstandigen die personeel in dienst hebben of gebruik maken van de diensten van andere zelfstandigen. PostNL heeft al langere tijd een geschil met deze zelfstandige pakketbezorgers. Een belangrijk deel van de zelfstandige pakketbezorgers heeft zich georganiseerd in een vereniging en op enig moment heeft het FNV zich als vakbond de belangen van de zelfstandige pakketbezorgers aangetrokken. Het akkoord dat bedoeld was om dit geschil te beëindigen is echter door de achterban verworpen. Dit akkoord hield in dat de pakketbezorgers in dienst konden treden waarbij PostNL de bus van de pakketbezorgers zou overnemen. Een voorwaarde daarbij was wel dat geen sprake was van een lopend geschil met PostNL. De pakketbezorgers konden er ook voor kiezen om met een 10% hogere vergoeding door te gaan als zelfstandig ondernemer. Toen bleek dat het akkoord op onvoldoende steun bij de pakketbezorgers kon rekenen, heeft PostNL de pakketbezorgers aangeboden om op de in het akkoord geformuleerde voorwaarden in dienst te treden. Slechts een klein deel van de pakketbezorgers heeft dit aanbod aangenomen. PostNL heeft vervolgens op 20 augustus 2015 de overeenkomsten met 19 zelfstandige pakketbezorgers opgezegd, omdat er klachten waren over de uitvoering van hun werkzaamheden of vanwege hun opstelling bij de collectieve acties van de pakketbezorgers medio 2015. Een deel van deze 19 pakketbezorgers is vervolgens een procedure bij de kantonrechter gestart, stellend dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat de opzegging van die arbeidsovereenkomst nietig was omdat daarvoor geen ontslagvergunning van het UWV was verkregen en omdat de werknemers met de pakketbezorgers ook niet met de opzegging hadden ingestemd.
De kantonrechter staat aldus voor de vraag of de gesloten vervoersovereenkomsten niet eigenlijk arbeidsovereenkomsten zijn. De kantonrechter wijst allereerst op jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat daarbij niet alleen van belang is wat de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst was, maar ook op welke wijze zij vervolgens feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven, waarbij alle rechtsgevolgen van de overeenkomst in onderling verband moeten worden beschouwd. Van belang is daarbij de wijze van beloning, de wijze van betaling, de mate van ondernemingsrisico, de mate van investeringen, het type werkzaamheden, de vraag wie zorg draagt voor sociale zekerheid, de duurzaamheid van de arbeidsprestatie, de strekking van de instructiebevoegdheid, de mate van zelfstandigheid en de maatschappelijke positie van de opdrachtnemer.
De kantonrechter stelt voorop dat uit de gesloten overeenkomst blijkt dat partijen geen arbeidsovereenkomst hebben willen sluiten. Aan deze bedoeling van partijen komt echter minder gewicht toe naarmate meer sprake is van maatschappelijke ongelijkheid en economische afhankelijkheid. De kantonrechter stelt vast dat de zelfstandige pakketbezorgers een lage opleiding hebben genoten en dat zij bij het aangaan van de overeenkomst niet juridisch werden bijgestaan. Weliswaar waren de pakketbezorgers niet op grond van hun maatschappelijke of sociaal-economische positie gedwongen in te stemmen met de contractvoorwaarden van PostNL, maar de kantonrechter betwijfelt of de pakketbezorgers zich bij het aangaan van de overeenkomst hebben gerealiseerd in welke mate zij afhankelijk zouden worden van PostNL. Met betrekking tot de feitelijke uitvoering van de overeenkomst stelt de kantonrechter dat de gedetailleerde wijze waarop PostNL instructies geeft ten aanzien van de uitvoering van het werk en op de naleving daarvan toeziet, zo weinig ruimte laat voor eigen invulling dat ondernemingsvrijheid nagenoeg geheel ontbreekt. In een tweetal gevallen beslist de kantonrechter tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst maar in het derde geval niet. Het verschil tussen de eerste twee gevallen en het derde geval ziet de kantonrechter in de wijze waarop in de praktijk vervanging van de zelfstandige pakketbezorger heeft plaatsgevonden. In de eerste twee gevallen gebeurde dat alleen incidenteel en tijdelijk bij ziekte of vakantie terwijl in het derde geval structureel sprake was van inschakeling van anderen (44% in de laatste drie jaar).


Commentaar

Schijnzelfstandigheid is een groot probleem op de arbeidsmarkt. Zogenaamde zelfstandigen werken, doorgaans zonder verzekerd te zijn tegen de risico’s van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, tegen een tarief dat voor de opdrachtgever veel lagere kosten met zich meebrengt dan het geval is wanneer werknemers worden ingeschakeld, vaak zelfs als die werknemers niet eens meer verdienen dan het minimumloon. Opdrachtgevers worden vaak uit concurrentieoverwegingen gedwongen om gebruik te maken van de diensten van deze “zelfstandigen”, in plaats van werknemers in te schakelen. Zo komt de positie van werknemers in het nauw. De wet bevat reeds sinds jaar en dag een aantal instrumenten waarmee oproepkrachten en schijnzelfstandigen gemakkelijker rechten als werknemer kunnen claimen. De wetgeving op dit punt is inmiddels verder aangescherpt (Wet aanpak schijnconstructies) en wordt nog verder aangescherpt. Naar verwachting zullen procedures zoals de onderhavige in de toekomst dan ook vaker voorkomen.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.