Ontbinding van arbeidsovereenkomst wegens detentie werkneemster

Uitgavejaar: 2020
Uitgavenummer: 377
Vindplaats: Kantonrechter Zwolle 9 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1235

Uitspraak

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst met een gedetineerde werkneemster omdat de werkneemster gedetineerd was wegens ernstige strafbare feiten, omdat de goede naam van de werkgever werd aangetast en omdat bij de rest van het personeel sprake was van een gevoel van onrechtvaardigheid en onveiligheid.

Bij een advocatenkantoor dat gespecialiseerd is in dienstverlening rondom arbeidsverhoudingen in de publieke sector, was sinds 2012 een 37-jarige secretaresse in dienst. In december 2018 was zij uitgevallen wegens ziekte en sinds juni 2019 gestart met aangepaste werkzaamheden. Op 12 juli 2019 verschijnt zij zonder bericht niet op haar werk. Uit persberichten verneemt de werkgever dat de werkneemster in hechtenis is genomen wegens het ernstig mishandelen van een deurwaarder. De werkgever staakt daarna de loonbetaling. In november 2019 wordt de werkneemster veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens het medeplegen van poging tot doodslag van de deurwaarder en wegens het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven van de advocaat die de werkneemster en haar echtgenoot had bijgestaan in een civiele procedure. De werkneemster stelt tegen dat vonnis hoger beroep in. De werkgever moet alles via de pers vernemen, want de werkneemster laat niets van zich horen.
De werkgever dient na de veroordeling bij de kantonrechter een verzoek in tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en voert daarbij drie gronden aan, achtereenvolgens: verwijtbaar gedrag, een verstoorde arbeidsverhouding of andere gronden. De werkneemster wordt daarbij door de werkgever opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter door de oproep door een deurwaarder te laten betekenen op het adres van de penitentiaire inrichting waar zij verblijft. De werkneemster heeft daarop aangegeven dat zij de zitting niet wil bijwonen.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op de laatste grond (“andere gronden”), omdat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij detentie ontbinding op die grond kan plaatsvinden. Daarbij overweegt de kantonrechter dat detentie niet in alle gevallen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst hoeft te leiden, maar dat de specifieke omstandigheden van het geval de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Daarbij noemt de kantonrechter allereerst de ernst van de strafbare feiten. Verder is de kantonrechter van mening dat het advocatenkantoor terecht de aantasting van haar goede naam vreest omdat onderdeel van de bedrijfsvoering van het advocatenkantoor uitmaakt dat cliënte juridisch worden geadviseerd over integriteitskwesties, terwijl de werkneemster geen respect heeft getoond voor rechterlijke beslissingen en personen die een rol spelen bij de tenuitvoerlegging daarvan. Tenslotte acht de kantonrechter van belang dat bij het overige personeel een gevoel van verontwaardiging en onveiligheid heerst, dat verband houdt met de ernst van het gepleegde misdrijf en de ongeloofwaardige verklaring die de werkneemster daarover heeft afgelegd.
Het opzegverbod staat volgens de kantonrechter niet in de weg aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat de grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met de ziekte van de werkneemster. Vanwege het ernstig verwijtbare gedrag van de werkneemster wordt ontbonden zonder inachtneming van de opzegtermijn en zonder dat transitievergoeding verschuldigd zal zijn.


Commentaar

Detentie vormt niet altijd een voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat de werknemer door eigen toedoen niet in staat is om de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst na te komen, is op zichzelf niet voldoende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Daarbij wordt vaak overwogen dat het behoud van de baan van belang is voor de re-integratie van de werknemer na zijn detentie. Ook onrust onder het personeel is vaak geen reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Meestal wordt dan gesteld dat van de werkgever verlangd mag worden dat hij die onrustgevoelens in goede banen leidt. Bepalend is doorgaans of er een relatie kan worden gelegd tussen het gepleegde strafbaar feit en het werk. In dit geval werd die relatie aangenomen omdat de werkneemster secretaresse was bij een advocatenkantoor en dus onderdeel uitmaakte van het rechtsbedrijf, terwijl de werkneemster door haar strafbare feiten had aangetoond geen respect te hebben voor personen (deurwaarder, advocaat) die van dat rechtsbedrijf onderdeel uitmaken.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.