Verplichting tot opzegging dienstverband dat vóór 1 juli 2015 slapend is geworden?

Uitgavejaar: 2020
Uitgavenummer: 376
Vindplaats: Kantonrechter Zwolle 24 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1282

Uitspraak

De Hoge Raad heeft bepaald dat de arbeidsovereenkomst met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer door de werkgever moet worden opgezegd zodra is voldaan aan de voor opzegging geldende vereisten. De werkgever ontvangt van het UWV compensatie van de transitievergoeding, waarbij de hoogte wordt berekend op basis van de transitievergoeding zoals die zou zijn geweest bij het einde van de periode van het opzegverbod tijdens ziekte (twee jaar). Dat zou betekenen dat geen compensatie wordt betaald als het opzegverbod is geëindigd vóór 1 juli 2015, omdat de wettelijke regeling die de werkgever verplicht tot betaling van de transitievergoeding toen nog niet bestond. Wat nu als het opzegverbod vóór 1 juli 2015 is geëindigd maar de werkgever pas na 1 juli 2015 voldeed aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst? Is de werkgever dan ook verplicht tot opzegging van een slapend dienstverband en betaling van de transitievergoeding?

Bij een verpakkingsbedrijf werkt sinds 1974 een werknemer die op 5 oktober 2012 arbeidsongeschikt is geworden. De periode van 104 weken waarin de werkgever loon tijdens ziekte moet betalen, zou eindigen op 5 oktober 2014. Het UWV heeft die periode echter verlengd tot en met 18 mei 2015. Per die datum kent het UWV aan de werknemer een WGA-uitkering toe. De werkgever vraagt dan nog vóór 1 juli 2015 (de datum waarop de wet in werking trad, die regelt dat bij opzegging door de werkgever een transitievergoeding aan de werknemer moet worden betaald), maar het UWV weigert de gevraagde ontslagvergunning omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat binnen 26 weken geen herstel van de werknemer verwacht kan worden. Uiteindelijk krijgt de werknemer per 7 oktober 2016 een IVA-uitkering. De werkgever zegt de arbeidsovereenkomst echter niet op, om te voorkomen dat alsnog wel een transitievergoeding zou moeten worden. Als de werknemer de kantonrechter vraagt om de werkgever te verplichten mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst waarbij de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding van € 75.000 moet betalen, verweert de werkgever zich met de stelling dat het UWV geen compensatie van de transitievergoeding zal betalen, omdat de werknemer al vóór 1 juli 2015 langer dan twee jaar ziek was. De werkgever geeft aan wel bereid te zijn om de transitievergoeding te betalen als het UWV aan de werkgever compensatie van de transitievergoeding betaalt.
De werkgever voldeed eerst na 1 juli 2015 aan de voorwaarden om de arbeidsovereenkomst wegens de langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer te beëindigen. Uit de prejudiciële beslissing waarin de Hoge Raad heeft besloten dat werkgevers in beginsel op grond van goed werkgeverschap verplicht zijn om slapende dienstverbanden te beëindigen, leidt de kantonrechter af dat het dienstverband dan pas na 1 juli 2015 slapend is geworden. Volgens de kantonrechter mag de werkgever daarom verwachten dat het UWV compensatie van de transitievergoeding betaalt. In de wet is bepaald dat het UWV de transitievergoeding compenseert die verschuldigd zou zijn bij het einde van het opzegverbod tijdens ziekte (twee jaar), maar volgens de kantonrechter betekent dat niet dat het UWV niet tot compensatie behoeft over te gaan als het einde van het opzegverbod op een datum vóór 1 juli 2015 zou liggen. Daarvoor voert de kantonrechter een aantal argumenten aan:
• In de wet wordt gesproken over de transitievergoeding die “verschuldigd zou zijn” en niet over de transitievergoeding die “verschuldigd was”.
• De beperking van de compensatie tot de transitievergoeding die verschuldigd zou zijn bij het einde van het opzegverbod van twee jaar is bedoeld om misbruik te voorkomen en om de periode te beperken waarover compensatie wordt verstrekt, niet om slapende dienstverbanden van vóór 1 juli 2015 uit te sluiten van compensatie.
• Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de compensatie niet is bedoeld voor dienstverbanden die vóór 1 juli 2015 slapend zijn geworden.
• De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eerder in antwoord op Kamervragen gesteld dat het onbetaald in dienst houden van werknemers, uitsluitend met als doel om geen transitievergoeding te betalen, onfatsoenlijk was. Het is onwaarschijnlijk dat de Minister toen alleen gedoeld heeft op dienstverbanden die na 1 juli 2015 slapend zijn geworden.
• Ook toen de Minister de compensatieregeling voor het eerst voorstelde, heeft hij er geen blijk van gegeven dat die compensatie alleen zou gaan gelden voor dienstverbanden die na 1 juli 2015 slapend zijn geworden.
• Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook niet dat dienstverbanden die na 1 juli 2015 slapend zijn geworden niet voor compensatie in aanmerking komen.
• Uit een brief die de Minister na de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad naar de Tweede Kamer stuurde blijkt dat ook compensatie wordt verstrekt als de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd.
• Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de belangrijkste voorwaarde voor het verkrijgen van de compensatie het betalen van de transitievergoeding is.
• Als het fatsoenlijk is om slapende dienstverbanden te beëindigen, geldt dat ook voor dienstverbanden die vóór 1 juli 2015 slapend zijn geworden.
Dat op een publicatie op de site van de rijksoverheid staat dat geen compensatie wordt verstrekt als de periode van twee jaar (van het opzegverbod) vóór 1 juli 2015 is verstreken, betekent volgens de kantonrechter niet dat dit ook de wil van de wetgever is: het kan ook het gevolg zijn van het feit dat een ijverige rijksambtenaar gemeend heeft dat deze voorlichting correct was.
Uiteindelijk stelt de kantonrechter de werkgever en werknemer voor om zich uit te spreken over de vraag hoe het beste kan worden tegemoet gekomen aan het probleem dat de vergoeding eerst moet zijn betaald voordat de compensatie kan worden aangevraagd, terwijl niet zeker is dat de compensatie zal worden verstrekt. De kantonrechter doet daarbij al een voorstel waarbij de transitievergoeding op een geblokkeerde bankrekening zal worden gestort.


Commentaar

De kantonrechter wil in dit geval kennelijk graag dat de werkgever compensatie van de transitievergoeding krijgt, omdat de werkgever dan bereid is om de transitievergoeding te betalen. In dat geval hoeft de kantonrechter niet te besluiten over de lastige vraag of de werknemer wel recht heeft op de transitievergoeding, ook als de werkgever die niet door het UWV gecompenseerd zou krijgen. Op de argumenten die de kantonrechter vervolgens aanvoert om te bepleiten waarom de werkgever wel recht zou hebben op compensatie valt het nodige af te dingen. Feit is dat de wet bepaalt dat geen compensatie wordt betaald als het einde van het opzegverbod vóór 1 juli 2015 is gelegen. Feit is ook dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarbij het einde van het opzegverbod vóór 1 juli 2015 lag, maar waarin de werkgever nog niet tot opzegging van de arbeidsovereenkomst kon overgaan (omdat er nog passende arbeid voor de werknemer was of omdat nog binnen 26 weken herstel van de arbeidsovereenkomst verwacht werd). Volgens de Hoge Raad ontstaat de verplichting tot opzegging van de arbeidsovereenkomst pas als de werkgever de arbeidsovereenkomst wel kon opzeggen. De vraag is of de Hoge Raad ook een verplichting tot opzegging zal aannemen, als de werkgever geen recht op compensatie heeft.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.