Kunnen aandeelhouders van gefailleerd bedrijf schadevergoeding vorderen?

Een bedrijf houdt zich onder meer bezig met de handel van producten ten behoeve van de medische markt. In het kader van haar bedrijfsuitoefening heeft het bedrijf in 2001 een overeenkomst gesloten met een Amerikaans bedrijf dat producten maakt voor de medische bebehandeling van kinderen. Krachtens deze overeenkomst krijgt het Nederlandse bedrijf van het Amerikaanse bedrijf het exclusieve verkooprecht van die producten voor Europa.
Tussen beide bedrijven ontstaat een geschil. Het bedrijf in Nederland stelt door toedoen van het Amerikaanse bedrijf ruim € 120.000 schade te hebben geleden wegens te late levering. Het bedrijf betaalt daarom een factuur van het Amerikaanse bedrijf van $ 64.000 niet en doet een beroep op verrekening met haar recht op schadevergoeding. Omdat in de overeenkomst tussen partijen een bepaling is opgenomen op grond waarvan geschillen door middel van arbitrage zullen worden beslecht, leidt dat geschil tot een arbitrageprocedure in Amerika.

Het Nederlandse bedrijf wendt zich daarop voor juridisch advies tot een deurwaarderskantoor in Nederland. Die deelt het bedrijf eerst mede dat een vonnis van een Amerikaanse rechtbank niet (zonder meer) in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, maar na (naar eigen zeggen) bij toeval een advocaat gesproken te hebben die gespecialiseerd is in internationale procedures corrigeert de deurwaarder dit advies door er op te wijzen dat Amerikaanse arbitrale vonnissen op grond van een internationaal verdrag wel in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd. Toch adviseert de deurwaarder niet om aan de arbitrale procedure in Amerika deel te nemen. Volgens de advocaat die door de deurwaarder is geraadpleegd zouden de kosten daarvan zo schrikbarend hoog zijn, dat die het belang van de zaak al snel zouden overstijgen. Bovendien zou het bedrijf één of meerdere keren naar de Verenigde Staten moeten afreizen.

Op advies van de deurwaarder vraagt het bedrijf de voorzieningenrechter wel verlof om conservatoir beslag (dat is: een beslag tot behoud van rechten) onder zichzelf te mogen leggen, waardoor het bedrijf zich op het beslag zou kunnen beroepen als reden van niet-betaling. Het gevraagde verlof wordt verleend, waarbij de gebruikelijke voorwaarde wordt gesteld dat het bedrijf dan wel binnen veertien dagen een procedure moet starten om een vonnis te krijgen over de vordering op het Amerikaanse bedrijf ter zake waarvan het beslag wordt gelegd. Daarom dagvaardt het Nederlandse bedrijf het Amerikaanse bedrijf voor de Nederlandse rechter met een vordering tot schadevergoeding. Omdat in de overeenkomst een arbitragebeding is opgenomen, verklaart de Nederlandse rechter zich echter onbevoegd om van de vordering kennis te nemen. Daardoor vervalt het beslag. Inmiddels is het Nederlandse bedrijf in de Amerikaanse arbitrageprocedure bij verstek veroordeeld tot betaling van $ 220.000. op verzoek van het Amerikaanse bedrijf verleent de Nederlandse voorzieningenrechter aan het Amerikaanse bedrijf verlof om dat arbitrale vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen.

Voor het Nederlandse bedrijf zijn daarmee de rapen gaar! De procedure in Nederland heeft tot niets geleid, en de procedure in de Verenigde Staten is verloren omdat het Nederlandse bedrijf daar verstek heeft laten gaan. Het gevolg van dit alles is dat het Nederlandse bedrijf op vordering van het Amerikaanse bedrijf (overigens eerst in hoger beroep) failliet verklaard wordt.

De aandeelhouders van het gefailleerde bedrijf voelen zich door de slechte juridische advisering bekocht en vorderen schadevergoeding, niet alleen van het deurwaarderskantoor dat heeft geadviseerd, maar ook van het advocatenkantoor dat als procureur is opgetreden voor de deurwaarder die bij het vragen van verlof voor het leggen van het beslag, bij het instellen van de vordering tot schadevergoeding en bij de faillissementsprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep, alle processtukken heeft opgesteld. Het advocatenkantoor en het deurwaarderskantoor spreken vervolgens elkaar over en weer aan tot betaling van de schadevergoeding, waartoe zij ten opzichte van de aandeelhouders van het bedrijf ver-oordeeld zouden worden. Uiteindelijk komt het echter niet tot een veroordeling tot schadevergoeding van één van beide kantoren. De rechtbank Roermond, die over die vordering moet oordelen, is namelijk van mening dat alleen het gefailleerde bedrijf zelf (en dus de curator) schadevergoeding kan vorderen. De rechtbank verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad uit 1994. Alleen als het deurwaarderskantoor en/of het advocatenkantoor een specifieke zorgvuldigheidsnorm ten opzichte van de aandeelhouders van het bedrijf zouden hebben geschonden, zouden de aandeelhouders schadevergoeding hebben kunnen vorderen. Daarvan is echter volgens de rechtbank geen sprake.


Rechtbank Roermond 7 april 2010, www.rechtspraak.nl., ljn: BM0035

Het Nederlandse bedrijf en zijn aandeelhouders zijn niet te benijden in deze zaak die meer weg heeft van een juridisch foutenfestival. Allereerst wordt het bedrijf verkeerd geadviseerd door het deurwaarderskantoor, dat met het spreekwoord "schoenmaker, blijf bij je eigen leest" kennelijk niet veel op had. Vervolgens heeft een advocatenkantoor in strijd met de gedragsregels voor advocaten en kennelijk zonder de processtukken inhoudelijk te controleren procureursdiensten verleend aan een niet-advocaat, waardoor het mogelijk werd dat een kansloos beslag werd gelegd en een kansloze schadevergoedingsvordering werd ingesteld. Vervolgens werd het bedrijf daardoor ook nog slecht geadviseerd in de procedure rond de faillissementsaanvraag. En alsof dat nog niet genoeg was, maakte de advocaat die bij het deurwaarderskantoor en het advocatenkantoor schadevergoeding mocht vorderen ook nog een fout. Helemaal onbegrijpelijk is die laatste fout niet: de aandeelhouders van het bedrijf zullen heel sterk het gevoel hebben gehad schade te hebben geleden doordat hun bedrijf failliet ging als gevolg van alle eerdere fouten bij de juridische advisering. Maar als de advocaat wat beter had nagedacht (of de jurisprudentie er beter op had nagekeken) had hij kunnen bedenken (c.q. kunnen weten) dat het de curator was die de schadevergoedingsvordering moest instellen. De aandeelhouders van het bedrijf zouden daarvan dan ook hun deel kunnen krijgen, maar pas nadat alle preferente en concurrente schulden van de gefailleerde vennootschap zouden zijn voldaan. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat én de vennootschap én de aandeelhouders vergoeding vorderen van dezelfde schade, en het kan ook niet zo zijn dat de aandeelhouders zich door zelf schadevergoeding te vorderen kunnen onttrekken aan de wettelijke volgorde waarin die schadevergoeding in geval van faillissement tussen de crediteuren en aandeelhouders moet worden verdeeld.



mr. W.A.A. (Wilan) van Kuijk



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.