De Hoge Raad heeft in een
prejudiciële beslissing verduidelijkt hoe ver de wettelijke
scholingsverplichting van werkgevers reikt.
De zaak betrof een
advocaat-stagiaire die door haar kantoor op staande voet was ontslagen. Hoewel
het ontslag rechtsgeldig werd geacht, oordeelde de kantonrechter dat het
studiekostenbeding – waarin terugbetaling van de kosten van de verplichte
Beroepsopleiding Advocatuur werd geregeld – niet rechtsgeldig was. Het
gerechtshof stelde daarop prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de
verplichting van werkgevers om deze opleiding kosteloos en onder werktijd aan
te bieden.
De Hoge Raad oordeelde dat de
Beroepsopleiding Advocatuur noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie
van advocaat-stagiaire. Daarom moet de werkgever op grond van artikel 7:611a
lid 1 BW de werknemer in staat stellen deze opleiding te volgen.
Verder concludeerde de Hoge Raad
dat, gelet op de wetsgeschiedenis, elke opleiding die op grond van artikel
7:611a lid 1 BW verplicht moet worden aangeboden, ook kosteloos moet zijn (lid
2 BW), en dat studiekostenbedingen die hieraan afbreuk doen nietig zijn (lid 4
BW).
De uitzondering voor
beroepskwalificaties uit de Richtlijn is niet van toepassing in Nederland,
omdat het nationale recht de scholing ook in dit geval verplicht stelt.
In ons commentaar geven we aan wanneer opleidingen
verplicht en kosteloos moeten worden aangeboden en in welke gevallen dat niet
hoeft.
Arbeidsrecht Abonnement Plus & Top
Vaktechnisch Overleg
Duidelijkheid over omvang scholingsverplichting werkgever
Jaar en kwartaal: 2025, 4e kwartaal
Nummer: 1
Arbeidsrecht Abonnement Plus & Top
Verder lezen?
De bovenstaande tekst is een beknopte versie van het artikel. De volledige inhoud van dit artikel is alleen toegankelijk voor deelnemers aan het Arbeidsrecht Abonnement met een Plus abonnement of Top abonnement.