Loonkostenvoordeel en overgang onderneming

Jaar en kwartaal
2017, 4e kwartaal
Nummer
4

Bronnen:


Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) per 1 januari 2018 vervallen de bepalingen ter zake van premiekorting in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

In afdeling 6, paragraaf 1 en 2 van hoofdstuk 3 (de artikelen 47-55) waren premiekortingen geregeld voor:

  • de oudere werknemer: maximaal drie jaar, € 7.000 per jaar (artikelen 47 en 48 Wfsv);
  • de jongere werknemer: maximaal twee jaar, € 3.500 per jaar (artikelen 48a en 48b Wfsv);
  • de arbeidsgehandicapte werknemer: maximaal drie jaar, € 7.000 per jaar (artikelen 49 en 50 Wfsv).

De Wtl voorziet in een uniforme structuur waarbinnen tegemoetkomingen kunnen worden verstrekt die het voor werkgevers financieel aantrekkelijker moeten maken om mensen in dienst te nemen die een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben.


De Wtl vormt de bestaande premiekortingen voor oudere uitkeringsgerechtigden en mensen met een arbeidsbeperking om tot loonkostenvoordelen (LKV’s): een tegemoetkoming aan werkgevers voor het in dienst nemen van deze werknemers. 

 De Wtl kent loonkostenvoordelen voor:

  • de oudere werknemer: maximaal drie jaar, maximaal € 6.000 per jaar (artikelen 2.2 – 2.5 Wtl);
  • de arbeidsgehandicapte werknemer: maximaal drie jaar (een jaar bij herplaatsing bij de eigen werkgever), maximaal € 6.000 per jaar (artikelen 2.6 – 2.9 Wtl);
  • de werknemer die behoort tot de doelgroep van de banenafspraak: maximaal drie jaar, maximaal € 2.000 per jaar (artikelen 2.10 – 2.13 Wtl);
  • de te herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer: maximaal een jaar, maximaal € 6.000 per jaar (artikelen 2.14– 2.17 Wtl).

Daarnaast kent de Wtl een de introductie van het lage inkomensvoordeel (LIV): een loonkostenvoordeel voor werkgevers die werknemers met een relatief laag loon in dienst hebben.


In de plaats van premiekortingen, die de werkgever zelf bij de berekening van de aangifte loonheffingen in mindering kon brengen, kent de Wtl een tegemoetkoming die door het UWV aan de hand van aanvragen van de werkgever wordt berekend op basis van gegevens in de polisadministratie (artikel 4.1 lid 1 Wtl). Om een aanvraag te doen moet de werkgever zorgen dat uit de loonaangifte blijkt dat een verzoek voor een tegemoetkoming wordt gedaan (artikel 2.1 Wtl) en moet daaruit blijken dat aan alle voorwaarden voor de tegemoetkoming is voldaan (artikel 4.1 lid 5 Wet tegemoetkomingen loondomein). Eén van die voorwaarden is dat de werkgever beschikt over een doelgroepverklaring.


Het UWV verstrekt vervolgens vóór 15 maart aan de werkgever een overzicht van alle aanvragen die de werkgever in het voorafgaande kalenderjaar heeft gedaan tot en met 31 januari van het jaar volgend op het betreffende kalenderjaar (artikel 4.1 lid 4 Wtl). Daarna wordt de tegemoetkoming door de belastingdienst vastgesteld in een beslissing die wordt genomen vóór 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarover de tegemoetkoming wordt aangevraagd (artikel 4.2 Wtl). De uitbetaling vindt plaats door de belastingdienst binnen zes weken na de datum van de beslissing van de belastingdienst (artikel 4.4 lid 2 Wtl).


Voor deze andere opzet heeft de regering gekozen omdat het huidige systeem voor zowel de werkgever als de belastingdienst te complex werd geacht, waardoor het voor werkgevers moeilijk was om de premiekortingen te verzilveren en voor de belastingdienst moeilijk om dit te controleren.

Ten aanzien van de premiekortingen kent artikel 50d Wfsv de mogelijkheid van een nadere regeling voor het geval van:

  • onderbreking van het dienstverband;
  • opeenvolgende en verschillende dienstverbanden bij dezelfde werkgever;
  • overgang van ondernemingen.

Op grond daarvan is in de Regeling Wfsv bepaald dat:

  • artikel 3.19a: in geval van een nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever alleen recht op premiekorting bestaat als tussen het einde van een eerdere arbeidsovereenkomst en de aanvang van een nieuwe arbeidsovereenkomst tenminste zes maanden zijn verstreken;
  • artikel 3.20: in geval van een nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever als in de eerdere dienstbetrekking reeds volledig premiekorting is genoten alleen recht op premiekorting bestaat als tussen het einde van de eerdere arbeidsovereenkomst en de aanvang van een nieuwe arbeidsovereenkomst tenminste drie jaar (oudere werknemer) respectievelijk één jaar (arbeidsgehandicapte werknemer) zijn verstreken;
  • artikel 3.21: in geval van een nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever terwijl in de eerdere dienstbetrekking de premiekorting gedeeltelijk is genoten:
    • recht op premiekorting bestaat alsof de dienstbetrekking niet is onderbroken indien de onderbreking minder dan drie maanden heeft geduurd;
    • recht op premiekorting bestaat voor de resterende periode van drie jaar respectievelijk één jaar te rekenen vanaf het moment waarop de premiekortingsperiode begon, zonder dat de periode van onderbreking van het dienstverband daarop in mindering wordt gebracht, indien de onderbreking drie maanden of meer maar ten hoogste drie jaar heeft geduurd;
  • artikel 3.22: het recht op premiekorting bij de overgang van een onderneming ongewijzigd wordt voortgezet door de werkgever die de onderneming overneemt, indien de werknemer waarvoor de premiekorting geldt werkzaam was in het deel van de onderneming dat is overgenomen.

In de Wtl is geregeld dat de werknemer ook tot de doelgroep behoort als het dienstverband tussen dezelfde werkgever en werknemer wordt onderbroken binnen de periode van drie jaar respectievelijk een jaar waarvoor het loonkostenvoordeel geldt (artikel 2.2 lid 4 Wtl, artikel 2.6 lid 5 Wtl, artikel 2.10 lid 3 Wtl, artikel 2.14 lid 4 Wtl). Bovendien is bepaald dat het loonkostenvoordeel geldt voor een aaneengesloten periode van drie jaar respectievelijk een jaar vanaf de aanvang van de eerste dienstbetrekking waarbij aan de voorwaarden van de wet wordt voldaan (artikel 2.4 lid 1 Wtl, 2.8 lid 1 Wtl, 2.12 lid 1 Wtl, 2.16 lid 1 Wtl).

Een regeling ter zake van de overgang van onderneming ontbreekt echter in de Wtl. In een artikel op LinkedIn van 16 november 2017 ("Onaangekondigde kostenpost voor werkgevers bij Loonkostenvoordeel (de oude premiekorting)”) schrijft Janthony Wielink (Enkwest) dat hem uit contact met het Ministerie is gebleken dat deze regeling om redenen van eenvoud is geschrapt. Bij overgang van onderneming zou daardoor het loonkostenvoordeel vervallen.

In beginsel is de werkgever die een onderneming overneemt een nieuwe werkgever die een nieuw verzoek voor de tegemoetkoming van één van de in artikel 2.1 Wtl genoemde loonkostenvoordelen kan doen en dan moet voldoen aan dezelfde voorwaarden als elke andere werkgever. Voor het loonkostenvoordeel oudere werknemer zal deze werkgever inderdaad niet in aanmerking komen omdat niet voldaan wordt aan de eis van artikel 2.2 lid 1 onder a Wtl dat de werknemer in de maand voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht had op een uitkering. Voor het loonkostenvoordeel herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer komt de werkgever eveneens niet in aanmerking omdat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde van artikel 2.14 lid 1 onder a Wtl dat sprake moet zijn van werkhervatting bij dezelfde werkgever als waar hij recht op WIA-uitkering heeft gekregen.

 Daar staat echter tegenover dat mogelijk is dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 2.6 Wtl voor het loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer respectievelijk van artikel 2.10 Wtl voor het loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer. In dat geval zal zelfs een nieuwe periode van drie jaar aanvangen. Ook kan de nieuwe werkgever in aanmerking komen voor het loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer waar de oude werkgever hooguit in aanmerking kwam voor het loonkostenvoordeel herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer.