De regering heeft bij de Tweede Kamer een
wetsvoorstel ingediend dat flexibele werknemers meer zekerheid moet geven over
inkomen en inroostering. Ten aanzien van tijdelijke contracten worden in het
wetsvoorstel drie maatregelen getroffen:
- wijziging van de ketenbepaling door de
tussenpoos van zes maanden te verhogen naar vijf jaar;
- vervallen van de mogelijkheid om bij cao af te
wijken van het aantal toegestane arbeidsovereenkomsten of van de totale
toegestane duur van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (ook voor
uitzendovereenkomsten);
- vervallen van de mogelijkheid om bij cao af te
wijken van de duur bij opvolgend werkgeverschap (ook voor
uitzendovereenkomsten).
De maatregelen die de positie van oproepkrachten
moeten verbeteren betreffen:
- afschaffen van oproepcontracten, waarbij
nulurencontracten niet meer mogelijk zijn en min-max-contracten worden
vervangen door basiscontracten met tenminste een kwartaalurennorm, waarbij een
bandbreedte geldt van maximaal 30%;
- vooraf bepaalde beperkte beschikbaarheid van
werknemers bij basiscontracten;
- lage WW-premie voor basiscontracten;
- per kwartaal een bepaalde mate van
roosterzekerheid en niet-beschikbaarheid bij arbeidsovereenkomsten met een
jaarurennorm.
De positie van uitzendkrachten wordt verbeterd door:
- fase A (arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
onbeperkt mogelijk; uitzendbeding mogelijk) terug te brengen van 72 weken naar
52 weken en fase B (zes arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogelijk)
terug te brengen van vier naar twee jaar;
- het totaal aan arbeidsvoorwaarden voor
uitzendkrachten tenminste gelijkwaardig
te doen zijn aan die van werknemers in dienst van de inlener.