Directeur/niet-aandeelhouder niet verplicht verzekerd

Uitgavejaar: 2002
Uitgavenummer: 55
Vindplaats: Centrale Raad van Beroep 1 november 2001, USZ 2001/314

Uitspraak

Een B.V. verkoopt haar onderneming, die zich bezig houdt met de opslag, aan- en afvoer van zand en grind, aan een andere B.V. De naam van de kopende B.V. wordt zodanig gewijzigd dat deze gelijk is aan de naam van de verkopende B.V. De verkopende B.V. wordt een management-B.V. Via deze managament-B.V. verhuurt de directeur/aandeelhouder van de verkopende B.V. zich aan de kopende B.V. voor het verrichten van managementtaken. Deze directeur/aandeelhouder van de verkopende B.V. wordt tevens directeur van de kopende B.V., maar hij bezit geen aandelen in de kopende B.V. (ook niet indirect). De directeur/aandeelhouder heeft ook nog een aanzienlijke lening verstrekt aan de kopende B.V. Hij is tevens de eigenaar van het bedrijfsterrein van de onderneming, waarvan de ligging aan het water van essentieel belang is, en van de bedrijfsmiddelen. Ook de vergunning voor de uitoefening van de bedrijfs-activiteiten staat op zijn naam.Het Lisv is van mening dat de directeur verplicht verzekerd is op grond van de werknemersverzekeringswetten. De rechtbank deelt dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep is daarentegen van mening dat door het Lisv onvoldoende is onderzocht of van een gezagsverhouding sprake is. Gelet op de aard en ligging van de onderneming en op de mogelijk aanmerkelijke greep die de directeur heeft op het bedrijf, zou er een situatie kunnen zijn van wederzijdse afhankelijkheid die een reÎle gezagsuitoefening van de zijde van de kopende B.V. in de weg staat. Doordat onvoldoende onderzoek is verricht, is het besluit van het Lisv niet met voldoende zorgvuldigheid voorbereid en kan het geen stand houden.


Commentaar

De Centrale Raad van Beroep heeft de laatste jaren een serie van uitspraken gedaan waarin ten aanzien van een directeur/minderheidsaandeelhouder werd geoordeeld dat geen sprake was van een bijzonder geval waarin er materiÎle indicaties waren dat in de algemene vergadering van aandeelhouders de uitoefening van gezag over de directeur achterwege zou blijven. Deze uitspraak van de Raad over een directeur die niet eens aandeelhouder was geeft aan wanneer kennelijk van zoín bijzonder geval sprake zou kunnen zijn. De B.V. was door een aantal feitelijke omstandigheden zozeer van de medewerking van de directeur afhankelijk dat de B.V. in grote problemen zou komen als de directeur zou worden ontslagen.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.