Eerste rechterlijke uitspraken over wijzigingen in ontslagrecht na flexwet

Uitgavejaar: 1999
Uitgavenummer: 27
Vindplaats: Zie: kantonrechter Zutphen 28 januari 1999, JAR 1999/49, Praktijkgids 1999, nr. 5129; kantonrechter Utrecht 15 februari 1999, JAR 1999, 54; kantonrechter 's-Gravenhage, 2 februari 1999, JAR 1999/51; kantonrechter Tiel 10 februari 1999, JAR 1999/53; kantonrechter Harderwijk 15 februari 1999, JAR 1999/55.

Uitspraak

Bij de per 1 januari 1999 ingevoerde wet flexibiliteit en zekerheid (de zogenaamde "flexwet") zijn onder meer wetswijzigingen ingevoerd, die van belang zijn bij het ontslag van de werknemer. Zo geldt voor het recht op WW-uitkering van de werknemer voortaan een "fictieve opzegtermijn": indien en voor zover aan de werknemer ter zake van het ontslag een vergoeding wordt toegekend, die voldoende groot is om het gemis aan loon tijdens de normaliter (dat wil zeggen: in geval van opzegging van de arbeidsovereenkomst) geldende opzegtermijn te dekken, gaat de WW-uitkering pas in na het verstrijken van die fictieve opzegtermijn. En verder is het sinds 1 januari 1999 niet mogelijk om de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst met de arbeidsongeschikte werknemer te ontbinden, tenzij bij het ontbindingsverzoek een door het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen getoetst reïntegratieplan is gevoegd.
Ten aanzien van beide wetswijzigingen was de vraag hoe daar in de praktijk mee zou worden omgegaan. Daarom werd reikhalzend uitgezien naar uitspraken van kantonrechters daarover. De eerste uitspraken zijn inmiddels gepubliceerd.
Bij de fictieve opzegtermijn was het de vraag of deze zou leiden tot een verhoging van de door de werkgever aan de werknemer te betalen ontslagvergoeding (doorgaans berekend op basis van de zogenaamde "kantonrechtersformule"). De kantonrechter te Zutphen was van mening dat de wetgever uitdrukkelijk bedoeld had de gevolgen van invoering van de fictieve opzegtermijn in de WW voor rekening van de werknemer te laten en wilde daarom geen hogere vergoeding toekennen dan voortvloeide uit de kantonrechtersformule. Ook de kantonrechter te Utrecht komt tot dit oordeel. De kantonrechter te 's-Gravenhage oordeelde eveneens op dezelfde manier maar verhoogde toch de vergoeding van de werknemer "enigszins" (te weten: van ƒ 114.000 naar ƒ 125.000).
Een andere vraag was of kantonrechters bereid zouden zijn de arbeidsovereenkomst per een latere datum te ontbinden, omdat de termijn die verloopt tussen de dag waarop de beschikking van de kantonrechter wordt gegeven en de dag waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden van de fictieve opzegtermijn mag worden afgetrokken. De kantonrechter te Zutphen toonde zich niet bereid de arbeidsovereenkomst op een termijn van zes weken te ontbinden, nu de wet voor toewijzing van een verzoek eist dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of op korte termijn wordt ontbonden. Hij ontbond de arbeidsovereenkomst uiteindelijk op 28 januari 1999 per 15 februari 1999. De kantonrechter te Den Haag ontbond de arbeidsovereenkomst op 2 februari 1999 per 1 april 1999 zonder daarbij uitdrukkelijk te vermelden of dat verband hield met de fictieve opzegtermijn.
Met betrekking tot de eis van bijvoeging van een getoetst reïntegratieplan bij een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer was vooral de vraag hoe stringent de kantonrechter die eis zou toetsen. De kantonrechter te Tiel achtte het bijvoegen van een getoetst reïntegratieplan geen ontvankelijkheidsvereiste in een geval waarin door een reorganisatie reïntegratie geen haalbare kaart meer was. Uitdrukkelijk werd daarbij overwogen dat "voorkomen dient te worden dat een flexibele procedure waaraan in de praktijk grote behoefte bestaat, op bureaucratische wijze belast wordt, zonder dat daarmee een redelijk doel gediend is". De kantonrechter te Harderwijk moest oordelen over een geval waarin de werknemer zich ziek gemeld had op de dag waarop het ontbindingsverzoek was ingediend. De kantonrechter achtte de werkgever niet ontvankelijk, omdat de tekst van de wet volgens hem geen andere conclusie toeliet. Een beroep van de werkgever op de wetsgeschiedenis, waarin de Minister aangeeft dat de rechter de bevoegdheid zou hebben om de werkgever alsnog in staat te stellen een reïntegratieplan in te dienen, mocht de werkgever niet baten.


Commentaar

Wij blijven de jurisprudentie volgen en houden u op de hoogte van interessante ontwikkelingen.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.