Eigen risicodragen WAO

Eigen risicodragen WAO
Datum: 00-00-0000
Uitgavejaar en uitgavenummer: 2004 / 87
Vindplaats: Besluit van 12 november 2003 tot wijziging van het Besluit
premiedifferentiatie WAO en het Besluit Beperking eigen risicodragen WAO in verband met de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers, Staatsblad 2003, nummer 474
Uitspraak

Sinds de invoering van de wet Pemba per 1 januari 1998 biedt de WAO
werkgevers de mogelijkheid eigen risicodrager te worden. Een eigen
risicodrager betaalt zelf de eerste vier jaar (tot de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte tot 104 weken per 1 januari 2004 was dit nog: de eerste vijf jaar) van de WAO-uitkering, die toe wordt gekend aan een werknemer die op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid tot de werkgever in (fictieve) dienstbetrekking stond. De eigen risicodrager betaalt in ruil daarvoor niet de gedifferentieerde WAO-premie, maar blijft wel de WAO-basispremie (in 2004: 5,1%) betalen. Uit die basispremie worden de langer dan vier jaar lopende WAO-uitkeringen betaald.
De werkgever kan eigen risicodrager worden per 1 januari en 1 juli van elk kalenderjaar. Daartoe moet de werkgever vóór 1 oktober respectievelijk vóór 1 april een aanvraag indienen bij het UWV. Om ook echt eigen risicodrager te worden, dient de werkgever een garantie te overleggen van een bank of verzekeringsmaatschappij, zodat het UWV er zeker van kan zijn, dat de WAO-uitkeringen van de betreffende werknemers niet alsnog ten laste van het UWV komen als de werkgever failliet gaat of met de noorderzon vertrekt. In verband met deze garantie hebben werkgevers in de praktijk een verzekeringsmaatschappij nodig, die na (meestal volledige) verzekering van het risico de garantie verstrekt. Aldus wordt de publieke gedifferentieerde WAO-premie in feite verruild voor een private verzekeringspremie.
Toen per 1 januari 2003 de premiedifferentiatie in de WAO voor kleine
werkgevers feitelijk werd afgeschaft, heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook de mogelijkheid voor kleine werkgevers om eigen risicodrager te worden per 1 januari 2003 afgeschaft. Zou hij dat niet gedaan hebben, dan was het voorzienbare gevolg geweest dat werkgevers die een gunstig risico vertegenwoordigen (dat wil zeggen: werkgevers met relatief jong personeel, werkend in een werkomgeving met weinig risico op arbeidsongevallen en beroepsziekten, en liefst ook met relatief meer mannen dan vrouwen in dienst) uit de WAO zouden zijn gestapt. De WAO-premie zou dan
moeten stijgen omdat de achterblijvende werkgevers een minder gunstig
arbeidsongeschiktheidsrisico zouden vertegenwoordigen. Deze premiestijging zou dan vervolgens weer aanleiding kunnen vormen voor een nieuwe golf van uitstappende werkgevers met een alsdan relatief gunstig arbeidsongeschiktheidsrisico. Een nieuwe premiestijging zou weer het gevolg zijn, en zo zou in feite een ongewenst vliegwieleffect ontstaan.
Op aandringen van de Tweede Kamer heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd om kleine werkgevers nog één laatste maal de gelegenheid te bieden om eigen risicodrager te worden, maar pas nadat er een situatie zou zijn waarin ook voor kleine werkgevers weer een vorm van premiedifferentiatie zou bestaan. Nu per 1 januari 2004 van kleine werkgevers een per sector gedifferentieerde WAO-premie wordt geheven, heeft de Minister aan kleine werkgevers een laatste mogelijkheid geboden om per 1 juli 2004 nog eigen risicodrager te worden. Daartoe moet dan vóór 1 april 2004 een aanvraag bij het UWV worden ingediend. Grote werkgevers (dat wil zeggen: werkgevers met een premieplichtige loonsom in 2002 van meer dan euro 625.000) kunnen ook na 1 juli 2004 elk halfjaar nog eigen risicodrager worden.


Commentaar

De offertes die particuliere verzekeringsmaatschappijen aanbieden blijken vaak fors lager te zijn dan de sectorgewijs vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie (zie daarvoor het Besluit gedifferentieerde premie, opslagen en kortingen WAO van het UWV van 10 november 2003, Staatscourant 26 november 2003, nummer 229, op de website www.overheid.nl te vinden onder ?officiële publicaties?). Kennelijk zien particuliere verzekeringsmaatschappijen, mogelijk onder invloed van de toegenomen reïntegratie-inspanningen van
werkgevers na invoering van de Wet verbetering poortwachter en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte tot 104 weken) in de toekomst een gunstiger risico, dan het arbeidsongeschiktheidsrisico uit het verleden, dat de thans uit te betalen WAO-uitkeringen tot gevolg heeft (door het omslagstelsel worden deze in het verleden ontstane uitkeringen immers bekostigd uit de WAO-premie van 2004).
Wie overweegt eigen risicodrager te worden dient op twee zaken goed te
letten. Eerst en vooral is het van groot belang dat er geen (ex-)werknemers mogen zijn, die ziek zijn geworden tijdens het dienstverband met de werkgever en aan wie een (korter dan vier jaar lopende) WAO-uitkering wordt uitbetaald, of wellicht gaat worden uitbetaald. Deze WAO-uitkeringen moet de werkgever zelf betalen, en de verzekeringsmaatschappij zal deze ?brandende huizen? niet willen verzekeren. Met name dient daarbij ook gelet te worden op de toekenning van WAO-uitkeringen aan oproepkrachten, of aan werknemers die bezwaar gemaakt hebben tegen de afwijzing van een WAO-uitkering. Verder dient de looptijd van de verzekering in het oog te worden gehouden. De verzekeringsmaatschappij zal zich vergaande vrijheid voorbehouden om de premie tijdens de looptijd van de verzekering te verhogen. Dat is op zichzelf geen probleem, omdat de eigen risicodragende werkgever per 1 januari en per 1 juli van elk kalenderjaar ook weer terug kan keren in de publieke WAO, waartoe dan vóór 1 oktober respectievelijk vóór 1 april bij het UWV een aanvraag moet worden ingediend.
Om onaangename verrassingen te voorkomen dient de werkgever er voor te
zorgen dat de premie tijdens de looptijd van de verzekering niet of slechts in beperkte mate verhoogd kan worden, of dat de looptijd van de verzekering zodanig kort is (bijvoorbeeld een jaar), dat de werkgever bij een ongewenste premieverhoging zonder problemen de verzekering kan beëindigen, en dus ook daadwerkelijk in de publieke WAO kan terugkeren.
Behalve een lagere premie heeft eigen risicodragen nog een ander potentieel voordeel. Bij een afschaffing van de premiedifferentiatie in de WAO (welke door de Minister is toegezegd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 als de WAO-instroom in 2007 voldoende zal zijn gedaald, maar die wellicht per 1 januari 2006 toch al wel wordt geëffectueerd, als de premieheffing werknemersverzekeringen naar de belastingdienst wordt overgedragen) krijgen eigen risicodragende werkgevers een deel van de betaalde premie terug wegens het vervallen van een deel van het verzekerde risico. Werkgevers die de publieke gedifferentieerde WAO-premie betalen, krijgen geen premierestitutie. Vanwege het daarbij geldende omslagstelsel worden de uitkeringen van elk jaar gedekt door de premies over dat jaar, zodat van het vervallen van een deel van het risico geen sprake is.
Werkgevers die overwegen eigen risicodrager te worden, maar daarover per 1 april 2004 nog geen definitieve beslissing hebben kunnen nemen, kunnen vóór 1 april 2004 een aanvraag bij het UWV indienen. Het UWV zal hen tot acht weken vóór 1 juli 2004 (dat is tot 5 mei 2004) in de gelegenheid stellen een garantie in te dienen. Zonder garantie vervalt de aanvraag en blijft men in de publieke WAO. Met garantie wordt de aanvraag gehonoreerd en is men eigen risicodrager.