Geen loonsanctie wegens vrijwillige verlenging van wachttijd

Uitgavejaar: 2017
Uitgavenummer: 283
Vindplaats: Centrale Raad van Beroep 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:263

Uitspraak

Het UWV mocht een werkgever geen loonsanctie opleggen wegens het verwijt dat te laat een tweede spoortraject was gestart, nadat de werkgever al vrijwillige verlenging van de wachttijd had gevraagd voor de duur van deze vertraging.

De werknemer in kwestie was op 16 augustus 2010 uitgevallen wegens knieklachten en had er in augustus 2011 ook nog longklachten bij gekregen, die het noodzakelijk maakten dat hij eens per twee weken een behandeling onderging, als gevolg waarvan hij op de dag van behandeling en op de twee dagen daarna niet belastbaar was. In september 2011 had de bedrijfsarts de belastbaarheid van de werknemer vastgesteld en in oktober 2011 had een arbeidsdeskundige op grond daarvan geadviseerd dat een tweede spoortraject moest worden gestart, gericht op re-integratie van de werknemer buiten het bedrijf van de werkgever. Vanwege het feit dat de werkgever wisselde van arbodienst, was het tweede spoortraject pas gestart in april 2012. In een deskundigenoordeel had het UWV geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren, omdat het tweede spoortraject al in oktober 2011 had moeten starten. De werkgever had samen met de werknemer gevraagd om een vrijwillige verlenging van de loondoorbetalingsperiode voor de duur van bijna drie maanden, zodat het tweede spoortraject eerst nog zou kunnen worden voltooid. Het UWV had met die verlenging ingestemd. Toen alsnog een WIA-uitkering werd aangevraagd, werd een loonsanctie opgelegd omdat het re-integratieverslag onvolledig was en niet tijdig door de werkgever was aangevuld. Toen de werkgever de ontbrekende stukken alsnog aan het UWV zond en om bekorting van de loonsanctie vroeg, weigerde het UWV daartoe over te gaan omdat het tweede spoortraject te laat was opgestart en niet adequaat was. De werkgever maakte zonder succes bezwaar bij het UWV en stelde eveneens tevergeefs beroep in bij de rechtbank. In hoger beroep had de werkgever echter wel succes.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de werkgever weliswaar te lang had gewacht met het starten van het tweede spoortraject, maar dat de werkgever dit manco had hersteld door een vrijwillige verlenging van de loondoorbetalingsverplichting. Het UWV kon volgens de Centrale Raad van Beroep de werkgever niet blijven verwijten dat zij te laat was gestart. Anders zou de werkgever die tekortkoming ook nooit meer hebben kunnen herstellen, terwijl het wettelijke systeem met betrekking tot de loonsanctie er juist van uit gaat dat de werkgever zijn tekortkomingen moet kunnen herstellen. Het tweede spoortraject was volgens de Centrale Raad van Beroep ook adequaat, omdat de duur van zes maanden voldoende was, omdat het re-integratiebureau een goed beeld had gehad van de arbeidsmogelijkheden van de werknemer en omdat de werknemer meer zicht had gekregen op zijn arbeidsmogelijkheden en geleerd had hoe hij succesvol zou kunnen solliciteren. Dat de re-integratie naar passend werk was bemoeilijkt door medische tegenslag, viel het re-integratiebureau en daarmee de werkgever niet te verwijten.


Commentaar

Werkgevers die zien aankomen dat aan hen een loonsanctie zal worden opgelegd wegens tekortschietende re-integratie-inspanningen, kunnen vrijwillige verlenging van de loondoorbetalingsperiode overwegen om het opleggen van een loonsanctie te voorkomen. Weliswaar moet in beide gevallen loon worden doorbetaald, maar de werkgever heeft bij een vrijwillige verlenging van de loondoorbetalingsverplichting meer grip op de datum waarop die verplichting eindigt, omdat die door de werkgever zelf kan worden aangegeven terwijl opheffing van de loonsanctie door het UWV doorgaans nog negen weken in beslag neemt nadat een verzoek daartoe is ingediend.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.