Geen tweede loondoorbetalingsperiode bij ziekmelding na eerdere gedeeltelijke werkhervatting

Uitgavejaar: 2002
Uitgavenummer: 59
Vindplaats: Zie: kantongerecht Delft 13 december 2001, JAR 2002/49

Uitspraak

Bij een tuinbouwbedrijf is van 18 augustus 1986 tot 30 juni 2001 een tuinbouwkundig medewerker in dienst geweest. De arbeidsovereenkomst is na verkrijging van een ontslagvergunning door het tuinbouwbedrijf opgezegd per juni 1999. De tuinbouwkundig medewerker is op 15 december 1997 arbeidsongeschikt geworden. Tot 15 december 1998 is zijn loon volledig doorbetaald. Per 18 december 1998 is aan hem door de uitvoeringsinstelling (GUO) een voorlopige WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Bij beschikking van 22 maart 1999 is de definitieve WAO-uitkering met ingang van 15 december 1998 vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat de tuinbouwkundig medewerker vanaf 15 december 1998 zijn eigen functie bij het tuinbouwbedrijf voor halve dagen kan uitoefenen.
De tuinbouwkundig medewerker stelt zich na ontvangst van die beschikking beschikbaar voor werkhervatting voor halve dagen. Aanvankelijk wordt hij niet tot zijn werk toegelaten, maar op 16 juni 1999 hervat hij zijn werk toch voor halve dagen. Per 20 juli 1999 hervat hij voor hele dagen en wordt zijn WAO-uitkering gestaakt. Op 2 augustus 1999 heeft de tuinbouwkundig medewerker zich opnieuw ziek gemeld, nadat de werkhervatting kennelijk niet een harmonieuze sfeer is verlopen. Omdat GUO vindt dat hij "situatief arbeidsongeschikt" is, wordt zijn WAO-uitkering niet heropend.
Tussen partijen ontwikkelt zich vervolgens een arbeidsgeschil. De tuinbouwkundig medewerker vordert en krijgt van de kantonrechter een voorlopige voorziening tot doorbetaling van het loon "zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geÎindigd, dan wel de betalingsverplichting op andere gronden niet bestaat of niet afdwingbaar is". Het tuinbouwbedrijf verzet zich echter in kort geding met succes tegen de tenuitvoerlegging van dit vonnis van de kantonrechter. De president van de rechtbank oordeelt in dat kort geding dat sprake is geweest van een doorlopende ziekteperiode tot 20 juli 1999 (toen het werk volledig werd hervat), zodat de ziekmelding op 2 augustus 1999 binnen vier weken daarna heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat de ziekteperiode vanaf 2 augustus 1999 wordt beschouwd als dezelfde ziekteperiode als die tot 20 juli 1999. Voor die ziekteperiode was de loondoorbetalingsverplichting van het tuinbouwbedrijf echter geÎindigd wegens het verstrijken van de maximale termijn van 52 weken.
Dat voorlopige oordeel van de president van de rechtbank wordt door de kantonrechter in de bodemprocedure bekrachtigd. De tuinbouwkundig medewerker had nog gesteld dat de werkgever tot loondoorbetaling moest worden veroordeeld op grond van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen. De kantonrechter acht wel denkbaar dat de werkgever daartoe verplicht is, maar is van mening dat de tuinbouwkundig medewerker te weinig heeft gesteld om die vordering ook toe te kunnen wijzen.


Commentaar

Om bij een ziekmelding na een eerdere ziekteperiode opnieuw in aanmerking te komen voor doorbetaling van het loon gedurende 52 weken, moet de werknemer tenminste vier weken hebben gewerkt. De vraag was of daartoe voldoende is dat vier weken gedurende een gedeelte van de overeengekomen werktijd is gewerkt. De president van de rechtbank te Den Haag en de kantonrechter te Delft zijn van mening dat dat niet voldoende is. De wet eist dat vier weken lang "de bedongen werkzaamheden" worden verricht. Volgens hen zijn de bedongen werkzaamheden fulltime en levert een gedeeltelijke werkhervatting niet het verrichten van de bedongen werkzaamheden op. De werkgever behoefde daarom niet nog eens het loon gedurende 52 weken door te betalen.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.