Geen verzekeringsplicht tennisleraar met betrekking tot privélessen

Uitgavejaar: 1997
Uitgavenummer: 7
Vindplaats: Zie: Centrale Raad van Beroep 15 juli 1996, RSV 1997/4

Uitspraak

Een tennisvereniging had een arbeidsovereenkomst gesloten met een tennisleraar voor het geven van training aan jeugdleden en zondagcompetitieteams van die vereniging. De lessen werden gegeven onder verantwoordelijkheid van het bestuur. Daarnaast gaf de tennisleraar buiten het kader van de arbeidsovereenkomst privélessen aan seniorleden van de vereniging. De tennisvereniging stelde daarvoor slechts de tennisbaan ter beschikking. De tennisleraar zorgde zelf voor de werving van de leerlingen (via het clubblad), sloot de lesovereenkomsten af, inde de lesgelden, deelde de lesuren in en gaf de lessen naar eigen inzicht en onder eigen verantwoordelijkheid. Met de tennisvereniging was uitdrukkelijk overeengekomen dat voor de privélessen geen sprake was van een gezagsverhouding en dat de tennisvereniging geen invloed zou hebben op de relatie tussen de tennisleraar en de leden van de vereniging die privélessen namen.
De bedrijfsvereniging (BVG) merkte de verhouding tussen de tennisvereniging en de tennisleraar ook voor wat betreft de privélessen aan als een arbeidsovereenkomst, zodat de tennisvereniging over de lesgelden premies voor de werknemersverzekeringen zou moeten afdragen. De tennisvereniging ging tegen die beslissing in beroep bij de rechtbank te Den Haag en werd in het ongelijk gesteld.
De rechtbank achtte de (voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende) gezagsverhouding aannemelijk omdat voor de tennisleraar het reële risico bestond dat het contract met hem niet zou worden verlengd als hij zich met betrekking tot de planning van en het gedrag op de banen, niet zou houden aan de aanwijzingen en regels van de tennisvereniging, zodat er in feite een impliciete toezicht- en controlemogelijkheid bestond.
In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep echter anders. Voor een gezagsverhouding zag de Raad ten aanzien van de privélessen geen aanknopingspunt. Het baanreglement kon als zodanig niet worden gezien, omdat het ook gold voor de leden van de vereniging. Dat de beschikbaarstelling van de baan geschiedde in overleg met de parkcommissaris en dat de tennisvereniging geen volgende overeenkomst meer zal sluiten als de tennisleraar naar de opvatting van de leden van de tennisvereniging om welke reden dan ook niet voldoet was volgens de Centrale Raad van Beroep evenmin redengevend voor een gezagsverhouding. Dat de activiteiten van de tennisleraar ingepast dienen te worden in het geheel van verenigingsactiviteiten en dat dat mede de kaders voor de tennisleraar bepaalt, betekende volgens de Raad tenslotte nog niet dat sprake is van een op een gezagsverhouding berustende aanwijzingsbevoegdheid.
Ten aanzien van de privélessen was geen sprake van een gezagsverhouding en dus ook niet van een arbeidsovereenkomst. De tennisvereniging behoefde voor de privélessen geen premies voor de werknemersverzekeringen af te dragen.


Commentaar

Over de verzekeringsplicht van docenten wordt de laatste tijd nogal veel geprocedeerd. Met name de beslissing dat voor een gezagsverhouding niet redengevend is dat de quasi-werkgever het organisatorisch kader bepaalt waarbinnen de docent zijn werkzaamheden verricht, is van belang. De bedrijfsvereniging (meestal de BVG) gebruikte dit argument om daarop het bestaan van een verzekeringsplicht te baseren. Overigens zij er op gewezen dat ondanks de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst toch sprake kan zijn van verzekeringsplicht. Dat is namelijk het geval met een aantal arbeidsverhoudingen die bij Koninklijk Besluit met een arbeidsovereenkomst zijn gelijkgesteld.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.