Niet indelen van uitzendbedrijf in vaksector in strijd met gelijkheidsbeginsel

Uitgavejaar: 2019
Uitgavenummer: 322
Vindplaats: Belastingkamer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10971

Uitspraak

Het, als gevolg van een wijziging in de regelgeving per 25 mei 2017, niet indelen van een uitzendbedrijf in de “vaksector” is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat bedrijven die op 25 mei 2017 al in een vaksector waren ingedeeld vooralsnog wel in die vaksector ingedeeld blijven, terwijl voor dat onderscheid een redelijke rechtvaardigingsgrond ontbreekt.

Een bedrijf dat zich bezig houdt met werving, selectie en outplacement, stelt personeel ter beschikking voor projectmatige arbeid. Het bedrijf is in 2009 opgericht en ingedeeld in de sector Zakelijke dienstverlening II (sector 44). Dat is gebeurd op basis van regelgeving die indeling in een andere sector dan de sector Uitzendbedrijven (sector 52) mogelijk maakt indien de werknemers van dat bedrijf werkzaamheden verrichten die voor meer dan 50% van het totale premieplichtige loon werkzaamheden zijn die tot één bepaalde andere sector behoren (de zogenaamde “vaksector”).
In mei 2017 wordt het bedrijf gesplitst in twee nieuwe bedrijven. Eén van de twee nieuwe bedrijven wordt daarbij ingedeeld in de sector Uitzendbedrijven omdat inmiddels, als gevolg van een wijziging in de regelgeving per 25 mei 2017, de indeling in een vaksector niet meer mogelijk is. Het gevolg van die andere indeling is dat het bedrijf over de premieplichtige loonsom van zijn werknemers een aanzienlijk hogere sectorpremie dient te betalen. Uit die sectorpremie worden de eerste zes maanden van de WW-uitkering van ex-werknemers bekostigd en uitzendbedrijven hebben vanwege de aard van de uitzendarbeid veel ex-werknemers met een WW-uitkering. Voor 2017 is bedraagt het verschil in sectorpremie bijvoorbeeld 2,85% (Zakelijke dienstverlening II: 1,22% - Uitzendbedrijven: 4,07%).
Het bedrijf is het niet eens met de indeling in de sector Uitzendbedrijven omdat bedrijven die op 25 mei 2017 al waren ingedeeld in een vaksector (of die op 25 mei 2017 al een verzoek daartoe hadden ingediend) voorlopig wel in die vaksector ingedeeld blijven. Als een beroep op het gelijkheidsbeginsel in bezwaar wordt afgewezen, stelt het bedrijf beroep in bij het gerechtshof. Omdat de regels ter zake van de sectorindeling zijn opgenomen in een ministeriële regeling (en dus lagere wetgeving), dient het gerechtshof te toetsen of die ministeriële regeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet. Daarom onderzoekt het gerechtshof of er een redelijke rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling van bedrijven die vóór dan wel op of na 25 mei 2017 in een sector moeten worden ingedeeld.
De regelgeving is gewijzigd wegens (in toenemende mate) oneigenlijk gebruik. De belastingdienst stelt bij het gerechtshof dat de Minister van plan was om per 1 januari 2019 een einde te maken aan de ongelijke behandeling en dat deze zal eindigen als het wetsvoorstel voor de Wet arbeidsmarkt in balans wordt aangenomen en per 1 januari 2020 wordt ingevoerd (omdat dan de sectorindeling vervalt). Dat vormt in de ogen van het gerechtshof echter onvoldoende rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling, omdat geen einddatum is vastgesteld. Het gerechtshof besluit daarom dat de wijziging in de regelgeving ten aanzien van het bedrijf buiten toepassing moet blijven en dat het bedrijf dus in de sector zakelijke dienstverlening II moet worden ingediend.


Commentaar

Dat de Minister last zou krijgen met zijn onderscheid tussen uitzendbedrijven bij de sectorindeling is geen verrassing. Bij de sectorindeling vormt gelijke behandeling een belangrijk gezichtspunt vanwege de invloed die de loonkosten (mede onder invloed van de sectorindeling) hebben op de concurrentiepositie van bedrijven. Desalniettemin zou een tijdelijke ongelijke behandeling in afwachting van een wijziging in de regelgeving die het onderscheid opheft, mogelijk een voldoende rechtvaardiging kunnen opleveren, gegeven het feit dat de tijdelijke ongelijke behandeling ten doel heeft om toename van oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Voor de hand ligt dat de Staatssecretaris van Financiën cassatieberoep bij de Hoge Raad zal instellen. De vraag is of de argumentatie van het gerechtshof dat dit niet getoetst kan worden omdat de einddatum niet vast staat, dan stand zal houden. Zo lang de Hoge Raad nog niet gesproken heeft, doen nieuwe uitzendbedrijven er in elk geval goed aan om bezwaar te maken tegen het besluit tot indeling in de sector Uitzendbedrijven.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.