Onrechtmatige concurrentie door werknemer die ontslag neemt, eigen bedrijf begint en klanten van werkgever aanschrijft?

Uitgavejaar: 2011
Uitgavenummer: 200
Vindplaats: Rechtbank Zwolle 6 juli 2011, www.rechtspraak.nl, LJN: BR2950

Uitspraak

Dat een werknemer zonder concurrentie- of relatiebeding vergaand met zijn ex-werkgever kan concurreren, moest een garagebedrijf ervaren in het geval waarover de rechtbank Zwolle moest oordelen.



Wat was er aan de hand?

Een B.V. exploiteert sinds 1983 een garagebedrijf. In 1998 neemt de directeur zijn broer in dienst als chef-werkplaats. In 1995 wordt een tweede garagebedrijf gestart in een andere plaats. De broer gaat daar dan werken als bedrijfsleider. Vanaf 2000 is dat garagebedrijf gevestigd op een industrieterrein. Per 1 november 2007 zegt de broer zijn arbeidsovereenkomst op om, met medeneming van de chef-werkplaats, te gaan werken bij een door de broer overgenomen garagebedrijf dat ligt naast het garagebedrijf van de werkgever. In de arbeidsovereenkomst van de broer stond geen concurrentie- of relatiebeding. Op 21 november 2007 schrijft de broer aan klanten van zijn voormalige werkgever een brief waarin hij in neutrale bewoordingen melding doet van zijn vertrek bij zijn werkgever en de overname van het garagebedrijf, waarin hij mededeelt dat hij alle merken auto’s verkoopt en repareert en waarin hij de klanten uitnodigt om een kijkje te komen nemen in de nieuwe werkplaats. Het gevolg voor het garagebedrijf is dat de winst in 2008 met ruim € 130.000 daalt door het instorten van de werkplaatsomzet en dat het garagebedrijf in de betreffende plaats in 2008 moet worden gesloten. Het garagebedrijf vordert daarop van de broer van de directeur schadevergoeding wegens onrechtmatige werknemersconcurrentie.



Wat besliste de rechtbank?

De rechtbank stelt allereerst als uitgangspunt vast dat een werknemer zonder concurrentie- of relatiebeding vanwege zijn vrije recht op arbeidskeuze in beginsel vrij is om zijn ex-werkgever te beconcurreren, maar dat op grond van vaste rechtspraak sinds een arrest van de Hoge Raad uit 1957 sprake is van ongeoorloofde concurrentie, als stelselmatig en substantieel het duurzame “bedrijfsdebiet” van de werkgever wordt afgebroken met hulpmiddelen die de ex-werknemer van zijn werkgever vertrouwelijk ter beschikking gesteld heeft gekregen.

De rechtbank beoordeelt eerst of de brief van de ex-werknemer ook los van deze drie eisen onrechtmatig is. Dat is volgens de rechtbank niet het geval omdat de brief geen verkeerde voorstelling van zaken geeft en slechts een licht wervend karakter heeft. Dat de ex-werknemer personeelsleden van de werkgever heeft benaderd om mee over te gaan, dat hij klanten van de werkgever thuis zou hebben bezocht en dat het overgenomen garagebedrijf gevestigd is naast het bedrijf van de werkgever, legt volgens de rechtbank allemaal geen gewicht in de schaal. Bij dat laatste is van belang dat het overgenomen garagebedrijf al naast het bedrijf van de werkgever gevestigd was. Ook was van belang dat niet gesteld of gebleken was dat bij de klanten verwarring zou zijn ontstaan.

Vervolgens beoordeelt de kantonrechter of het gebruik van de klantenlijst van de ex-werkgever voor het aanschrijven van 485 klanten maakt dat voldaan is aan de eis van on-rechtmatige werknemersconcurrentie. De rechtbank is van mening dat dat niet het geval is. Dat het “bedrijfsdebiet” van de ex-werkgever substantieel is verminderd, neemt de rechtbank aan op grond van de onweersproken stelling dat het bedrijfsresultaat met € 130.000 gedaald is. Maar dat die omzetdaling het resultaat is van de brief die de ex-werknemers stuurde, acht de rechtbank niet aangetoond, nog daargelaten dat de ex-werknemer had gesteld de klantenlijst niet te hebben gebruikt en nog geen 100 klanten te hebben aangeschreven met gebruik-making van gegevens uit het telefoonboek en de Gouden Gids. De ex-werknemer had gesteld dat de oorzaken van de verminderde werkplaatsomzet van de ex-werkgever te wijten waren aan het vertrek van de ex-werknemer (dat op zichzelf natuurlijk niet onrechtmatig was) en onvoldoende concurrerend vermogen van de ex-werkgever. Bovendien had de ex-werknemer onweersproken gesteld dat het garagebedrijf was gevestigd in een klein dorp waarin iedereen iedereen kent, waardoor vóór de verzending van de brief al bekend was dat hij voor zichzelf was begonnen. Volgens de rechtbank had de ex-werkgever ter weerlegging van die stellingen schriftelijke verklaringen van ex-klanten moeten overleggen dat zij door de brief van de ex-werknemer waren gekomen tot hun overstap naar het bedrijf van de ex-werknemer. Bovendien vond de rechtbank dat de ex-werkgever tegenover de betwisting door de ex-werknemer onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van duurzame klanten en dat de ex-werknemer de klantenlijst van de ex-werkgever had gebruikt.

De schadevergoedingsvordering van de ex-werkgever werd daarom afgewezen.


Commentaar

Het vonnis van de rechtbank toont pijnlijk aan hoe belangrijk het is dat met werknemers in gevoelige functies een concurrentiebeding of relatiebeding wordt overeengekomen. Niettemin is het vonnis van de rechtbank verrassend. Er waren toch stevige aanwijzingen voor onrechtmatigheid van de aangedane concurrentie in de vorm van het aanschrijven van klanten, het meenemen van een belangrijke werknemer en het gevestigd zijn naast het garagebedrijf van de ex-werkgever (ook al zat dat bedrijf er al eerder). De bedrijfsvoering van de ex-werknemer heeft aldus wel zeer geleund op die van de ex-werkgever en doorgaans is het juist de combinatie van dergelijke omstandigheden die concurrentie onrechtmatig kan maken. Dat de rechtbank oordeelt dat de concurrentie niet onrechtmatig is, is wat ons betreft dan ook opmerkelijk. Wat ons betreft had de werknemer in elk geval niet gericht de klanten van zijn ex-werkgever mogen aanschrijven.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.