Realiseer grote besparingen en laat ons uw premiebesluit 2018 controleren!

U heeft nog 00 days 00 hours 00 minutes 00 seconds
Begin december 2017 stuurt de belastingdienst aan werkgevers de beslissing waarmee de hoogte wordt vastgesteld van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas die de betreffende werkgever in 2018 aan de belastingdienst moet betalen.

De advocaten en casemanagers van ons kantoor realiseren voor onze cliënten grote besparingen op de kosten van arbeidsongeschikte (ex-) werknemers door een intensieve controle, niet alleen van het besluit van de belastingdienst, maar ook van de onderliggende uitkeringsbesluiten van het UWV. De besparingsmogelijkheden zijn veel groter dan u waarschijnlijk denkt. Soms kunnen besparingen worden gerealiseerd tot vijf jaar terug!

Te mooi om waar te zijn? Kijk dan eens wat één van onze cliënten daarover zegt in deze video.

Duur? Gemiddeld verdienen wij iedere geïnvesteerde euro 15 tot 20 maal terug!

Meer informatie? Neem contact op met Michèle Sonneveld van ons kantoor (tel. 013 4635599; e-mail: m.sonneveld@vanzijlcasemanagement.nl).

Controle van het premiebesluit is doorgaans zinvol voor werkgevers met een premieplichtige loonsom vanaf ongeveer €1,5 miljoen. Let op: tegen het premiebesluit van de belastingdienst moet binnen zes weken bezwaar gemaakt kunnen worden. Laat uw besparingskans niet voorbij gaan en neem tijdig contact met ons op!

Gratis webinar “Zin en onzin van controle van premiebesluiten”
Wilt u meer weten over controle van de premiebesluiten? Volg dan online op een door u gekozen plaats en tijd het gratis webinar “Zin en onzin van controle van premiebesluiten”.

Deze melding niet meer weergeven

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens niet voldoen aan diploma-eisen

Uitgavejaar: 2017
Uitgavenummer: 287
Vindplaats: Kantonrechter Amersfoort 10 mei 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2501

Uitspraak

Een werknemer die er niet in geslaagd was om binnen een wettelijk voorgeschreven termijn een aantal diploma’s te halen die nodig waren om zijn functie te kunnen blijven uitoefenen, kon niet door de werkgever worden ontslagen omdat de werkgever verzuimd had om de werknemer in staat te stellen om de studie te volgen tijdens werktijd.

De werknemer was sinds 2001 als senior relatiebeheerder werkzaam bij een bedrijf dat diensten verleende als assurantietussenpersoon, makelaar, taxateur en financieel adviseur. Aldus vielen de werkzaamheden van de werkgever en zijn werknemers onder het bereik van de Wet op het financieel toezicht. Op grond van die wet gelden sinds 1 januari 2014 regels waardoor adviseurs en bemiddelaars uiterlijk op 1 januari 2017 in het bezit dienen te zijn van adviseursdiploma’s. Tot 1 januari 2017 is daarbij een overgangsregeling van toepassing waarbij op grond van eerder behaalde diploma’s vrijstellingen kunnen worden verkregen. In een brief van oktober 2013 deelt de werkgever aan de werknemer mede dat hij nog in dat jaar twee diploma’s dient te halen. Begin 2015 deelt de werkgever in een tweetal brieven mede dat de werknemer de diploma’s uiterlijk eind 2015 dient te hebben behaald en dat anders het dienstverband zou moeten worden beëindigd. Een soortgelijke brief wordt begin oktober 2016 nogmaals verzonden met de mededeling dat de vereiste diploma’s uiterlijk op 31 december 2016 moeten zijn behaald. Als dat laatste niet gebeurd is, stuurt de werknemer naar aanleiding van een gesprek met de werkgever een e-mail met de mededeling dat hij de relevante examens zal afleggen in de periode van 15 maart 2017 tot en met 1 november 2017. De werkgever dient daarop een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in, primair gebaseerd op de grond dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld en, voor het geval die grond niet zou slagen, op de zogenaamde “restgrond” (andere omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). De werknemer verweert zich door te stellen dat nooit inhoud is gegeven aan de wijze waarop de opleiding moest worden gevolgd, wie de kosten zou dragen en of de studie onder werktijd kon plaatsvinden. De werknemer zou onvoldoende tijd hebben om de studie buiten werktijd te doen.
De kantonrechter stelt voorop dat de werkgever een wettelijke verplichting heeft om te zorgen dat zijn werknemers per 1 januari 2017 over de vereiste diploma’s beschikken, dat de werknemer per 1 januari 2017 niet over de vereiste diploma’s beschikt en dat de werkgever de werknemer daarom geen advieswerkzaamheden meer mag laten verrichten. De kantonrechter is echter van mening dat van verwijtbaar handelen geen sprake is omdat de werkgever te weinig inspanningen heeft verricht om te bereiken dat de werknemer de diploma’s zou halen. De kantonrechter wijst daarbij op de scholingsverplichting van de werkgever die sinds 1 juli 2015 in de wet is opgenomen. Volgens de wet dient de werkgever de werknemer in staat te stellen om scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst indien de functie van de werkgever komt te vervallen of indien de werknemer niet langer in staat is om de functie te vervullen. Het vergoeden van de opleidingskosten is daarbij volgens de kantonrechter niet voldoende. De werkgever had gesteld dat een studie ook een investering van de werknemer in zichzelf is en dat andere werknemers de diploma’s hebben behaald door studie in de avonduren en door af en toe een vrije dag op te nemen. De kantonrechter is echter van mening dat de werkgever ook reguliere arbeidstijd ter beschikking had moeten stellen om de noodzakelijke scholing te volgen. Ook de restgrond kan volgens de kantonrechter niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst leiden omdat de werknemer inmiddels, nadat hij op 15 maart 2017 op non-actief is gesteld, de eerste twee vereiste diploma’s heeft gehaald en terwijl hij verwacht de twee nog vereiste aanvullende diploma’s alsnog binnen afzienbare tijd te halen. Omdat de werknemer daardoor op zeer korte termijn weer volledig inzetbaar zal zijn, kan volgens de kantonrechter van de werkgever worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.


Commentaar

De beschikking van de kantonrechter is, voor zover ons bekend, de eerste rechterlijke uitspraak waarin de sinds 1 juli 2015 in de wet opgenomen scholingsverplichting van de werkgever een rol speelt. De kantonrechter geeft er blijk van dat werkgevers deze scholingsverplichting serieus dienen te nemen. Met name de overweging dat daartoe ook behoort dat een werknemer in de gelegenheid wordt gesteld om de vereiste scholing onder werktijd te volgen, is vergaand. Nu zegt de kantonrechter alleen dat ter zake maatregelen hadden moeten worden getroffen en niet hoe ver die zouden moeten gaan, zodat de mogelijkheid blijft bestaan dat de werkgever wel had mogen volstaan met het bieden van de gelegenheid om de studie gedeeltelijk onder werktijd te volgen. Op zichzelf valt zeker ook wat te zeggen voor de stelling van de werkgever dat het volgen van een studie ook een investering van een werknemer in zichzelf is. Mogelijk kan in dat verband worden volstaan met het bieden van de gelegenheid om de vereiste studie gedeeltelijk onder werktijd te volgen.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.