Ontslagvergoeding volgens kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag

Uitgavejaar: 2008
Uitgavenummer: 157
Vindplaats: Gerechtshof Den Haag 14 oktober 2008, www.rechtspraak.nl, ljn: BF8136, BF6720, BF6790, BF8122 en BF6960

Uitspraak

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in een aantal arresten aangegeven voortaan bij de beoordeling van de vraag of aan een werknemer een ontslagvergoeding toekomt wegens de “kennelijke onredelijkheid” van het ontslag uit te gaan van de kantonrechtersformule. Om recht te doen aan de verschillen met de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (waarbij het CWI de ontslagreden niet getoetst heeft en waarbij geen opzegtermijn geldt), verlaagt het gerechtshof de ontslagvergoeding die met behulp van de kantonrechtersformule is berekend met 30%.


Commentaar

De kantonrechtersformule geldt voor het geval ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht. Omdat dan wordt uitgegaan van de noodzaak voor een snelle en definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst, wordt de vergoeding naar billijkheid vastgesteld. Indien echter geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt gevraagd, maar gekozen wordt voor opzegging daarvan (indien dit door de werkgever gebeurt behoeft deze daartoe de voorafgaande toestemming van het CWI in de vorm van een ontslagvergunning) bestaat volgens de wetgever in beginsel geen reden voor een ontslagvergoeding. Er is dan ook steeds een opzegtermijn in acht genomen. Alleen als het ontslag “kennelijk onredelijk” is (zodanig te verstaan dat voor iedereen duidelijk moet zijn dat het ontslag onredelijk is) zou volgens de Hoge Raad nog aanleiding kunnen bestaan om een vergoeding vast te stellen. In dat geval kan de schade die door de opzegging geleden wordt veel preciezer worden vastgesteld, omdat er geen sprake is van een “spoedprocedure” maar van een gewone civielrechtelijke procedure met zo nodig ook hoger beroep. De kantonrechtersformule zou daarbij om die reden niet passen. Er zijn echter ook kantonrechters die het niet passend vinden dat de werkgever, door te kiezen voor een procedure via het CWI en niet voor een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter, zou kunnen bewerkstelligen dat de werknemer minder snel een vergoeding zou ontvangen of een andere vergoeding dan volgens de kantonrechtersformule.

Tot nu toe hebben de gerechtshoven die in hoger beroep moesten oordelen over vorderingen die gebaseerd waren op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag, zich steeds niets van de kantonrechtersformule aangetrokken. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage breekt nu als eerste met die lijn en sluit zich aan bij de kantonrechters die het principiële verschil tussen de ontbindingsprocedure en de “kennelijk onredelijk ontslag”-procedure niet zien. De vraag is wat de Hoge Raad daarvan zal vinden.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.