Poolse chauffeurs vallen onder Nederlandse wet en CAO

Uitgavejaar: 2011
Uitgavenummer: 199
Vindplaats: Kantonrechter Venlo 10 augustus 2011, www.rechtspraak.nl, LJN: BR4863

Uitspraak

In een geschil tussen een vakbond en een transportonderneming heeft de kantonrechter te Venlo bepaald dat de transportonderneming gehouden was (delen van) de Nederlandse wet en de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de CAO toe te passen op chauffeurs die in dienst waren van een Poolse zustermaatschappij en door haar van die Poolse zustermaatschappij werden ingeleend.



Wat was er aan de hand?

De transportondernemer voert, op basis van een daartoe verleende vergunning, internationaal wegvervoer uit ten behoeve van merendeels Nederlandse opdrachtgevers. In 2009 waren bij de werkgever nog dertien werknemers in dienst, maar dat aantal was in de loop van de tijd teruggelopen tot één. Sinds 2009 werden nieuwe chauffeurs namelijk alleen nog aangesteld op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst met een Poolse zustermaatschappij. Op de arbeidsovereenkomsten met deze werknemers werd Pools recht van toepassing verklaard. De reden daarvan is gelegen in de lagere arbeidsbeloning van Poolse werknemers, die een bedrag van ongeveer € 300 bruto per maand ontvangen, plus een bedrag van € 0,12 per gereden kilometer. De Poolse zustermaatschappij zendt geen werknemers uit naar andere werkgevers. Als in november 2009 onder de Poolse chauffeurs in Nederland een staking uitbreekt over de uitbetaling van achterstallig salaris en achterstallige onkostenvergoeding, wordt de staking door tussenkomst van een vakbond beëindigd. Deze inmenging van de vakbond leidt ertoe dat de vakbond uiteindelijk een procedure tegen het transportbedrijf begint, waarin wordt gevorderd dat het transportbedrijf de bepalingen van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Beroepsgoederenvervoer, en bij gebreke van de toepasselijkheid daarvan in elk geval de wettelijke bepalingen over minimumloon, vakantietoeslag en vakantiedagen moet volgen. Het transportbedrijf verweert zich bij de kantonrechter met een aantal verweren van formele aard.



Hoe kwam de kantonrechter tot zijn beslissing?

Alvorens te komen tot de toewijzing van de vordering moet de kantonrechter een aantal vra-gen van formele aard beslissen aan de hand van een groot aantal bepalingen uit de Nederlandse wet, verdragen en Europese Richtlijnen.

De kantonrechter moet eerst bepalen of de Nederlandse rechter wel rechtsmacht heeft. Dat is het geval omdat de vordering is gericht tegen een rechtspersoon die in Nederland is gevestigd en omdat niet gebleken is dat tussen de vakbond en de transportondernemer een keuze is gemaakt voor een andere nationale rechter. Het transportbedrijf had gesteld dat de vakbond eigenlijk de Poolse werkgever had moeten dagvaarden, omdat de werknemers daar in dienst zijn. Maar omdat de vakbond zijn vorderingen baseert op de gestelde toepasselijkheid van bepalingen van een CAO waarbij die vakbond partij is, en niet op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers, is de vakbond ontvankelijk in zijn vorderingen. De vakbond had belang bij de handhaving van de CAO, ook al waren de Poolse chauffeurs geen lid van de vakbond, omdat dit uit haar statutaire doelomschrijving voortvloeit. Voorts stelt de kantonrechter vast dat de toepasselijke CAO in elk geval in een deel van de tijd algemeen verbindend is geweest. Vervolgens moet de kantonrechter bepalen welk recht van toepassing is tussen de Nederlandse transportonderneming en de ingeleende Poolse arbeidskrachten. Omdat alle arbeidsovereenkomsten zijn gesloten vóór 17 december 2009, moet die vraag worden beantwoord aan de hand van het Europees Verdrag dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomsten (“EVO”) en niet aan de hand van de later vastgestelde Europese Verordening. Dan stelt de kantonrechter vast dat de Verordening betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie niet van toepassing is (omdat de Poolse werknemers niet in dienst zijn bij de Nederlandse onderneming) en dat de Europese Detacheringsrichtlijn en de daarop gebaseerde Nederlandse Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid wel van toepassing zijn. Daarin wordt gegarandeerd dat op de werknemers die op het grondgebied van een Staat werkzaam zijn, ongeacht het toepasselijke recht, in elk geval van toepassing zijn de CAO en de wettelijke regels van die Staat omtrent onder meer arbeidstijden, vakantiedagen, minimumloon en arbeidsomstandigheden. Ook de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten garandeert dat. De volgende stap is dat de kantonrechter vaststelt dat de werknemers in Nederland zouden vallen onder de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer. De laatste en wellicht moeilijkste vraag is dan of de werknemers wel in Nederland werkzaam zijn, hetgeen van belang is omdat Nederland alleen voor in Nederland werkzame chauffeurs de toepassing van de CAO en de genoemde wettelijke regels moet garanderen. Maar volgens de kantonrechter kan het ook zijn dat het EVO toepasselijkheid van Nederlands recht en daarmee toepasselijkheid van de algemeen verbindend verklaarde CAO met zich meebrengt. Over en weer hebben de werkgever en de vakbond allerlei omstandigheden aangevoerd en betwist, die zouden wijzen op uitvoering van de werkzaamheden in dan wel juist buiten Nederland. Voor de uiteindelijke toewijzing van de vorderingen van de vakbond is voor de kantonrechter beslissend dat in Nederland instructies worden gegeven, dat de staking ook in Nederland is uitgebroken en dat de Poolse en Nederlandse rechtspersoon tot op zekere hoogte met elkaar te vereenzelvigen zijn omdat zij dezelfde bestuurder en aandeelhouder hebben en omdat de Poolse rechtspersoon uitsluitend voor de Nederlandse rechtspersoon werkt. Het EVO brengt met zich mee dat zonder rechtskeuze het Nederlandse recht zou gelden en dat betekent dan volgens de kantonrechter weer dat de algemeen verbindend verklaarde CAO en de wettelijke bepalingen inzake minimumloon, vakantietoeslag en vakantiedagen ook gelden als buitenlands recht van toepassing zou zijn.


Commentaar

Het is een jaren geleden ingezette tendens dat internationale chauffeurs steeds vaker buiten-landse chauffeurs zijn die op basis van buitenlands recht in dienst genomen worden door buitenlandse rechtspersonen. De veel lagere arbeidskosten in met name Oost-Europese landen zijn daar natuurlijk debet aan. Door de concurrentie en de lage winstmarges in het internationale vervoer is het voor werkgevers vaak een kwestie van meegaan in deze tendens of aan het kortste eindje trekken in de internationale concurrentie. Het is zeer de vraag of een vonnis zoals dat van de kantonrechter in Venlo daaraan een einde zal maken. Het vonnis is gebaseerd op een aantal door de kantonrechter met name genoemde specifieke omstandigheden, zodat de vraag rijst of in andere omstandigheden niet al snel een andere beslissing zou moeten volgen. Wat in elk geval blijft is de internationale concurrentie, die er Nederlandse transportondernemingen in het uiterste geval toe kan noodzaken hun Nederlandse onderneming op te doeken en hun activiteiten in het buitenland voort te zetten.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.