Tot 1 april 2004 laatste mogelijkheid voor kleine werkgevers om eigenrisicodrager te worden

Uitgavejaar: 2003
Uitgavenummer: 83
Vindplaats: Besluit van 12 november 2003 tot wijziging van het Besluit
premiedifferentiatie WAO en het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO in verband met de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers?, Koninklijk Besluit van 12 november 2003, Staatsblad 2003, nummer 474

Uitspraak

Bij brief van 28 november 2002 heeft de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de Tweede Kamer toegezegd dat er voor kleine werkgevers nog één laatste gelegenheid zou komen om eigenrisicodrager voor de WAO te worden. Dat gebeurde nadat in september 2002 (in het zicht van de afschaffing van de premiedifferentiatie in de WAO voor kleine werkgevers) werkgevers nog slechts een korte, laatste mogelijkheid hadden om eigen risicodrager te worden. Dat kon toen nog tot 1 oktober 2002. Werkgevers hadden toen in de ogen van de Tweede Kamer te weinig gelegenheid gehad om daar goed over na te denken. Bij afschaffing van de premiedifferentiatie per 1 januari 2003, werd ook de mogelijkheid voor kleine werkgevers om nog eigen risicodrager te worden, geblokkeerd. Op verlangen van de Tweede Kamer heeft de Minister toegezegd aan kleine werkgevers nog een laatste keuzemogelijkheid te zullen bieden, maar hij wilde dat pas doen als er
sprake was van (sectorgewijze) premiedifferentiatie en had daarom toegezegd dat de laatste mogelijkheid zou bestaan per 1 januari 2004. Vanwege de late indiening van het wetsvoorstel en de besluiten die de sectorgewijze premiedifferentiatie mogelijk moeten maken, is de laatste mogelijkheid nu vastgesteld voor 1 juli 2004. Aanvraag dient dan ingediend te zijn voor 1 april 2004.


Commentaar

Werkgevers die nog van de mogelijkheid om eigen risicodrager te worden, gebruik willen maken, moeten vóór 1 april 2004 een aanvraag bij het UWV indienen. Uiterlijk 8 weken vóór 1 juli 2004 (dat is op 5 mei 2004) moet dan nog een garantie aan het UWV worden overgelegd. Deze garantie wordt doorgaans verstrekt door de verzekeraar die het risico van de uitbetaling van de WAO-uitkeringen dekt. De eigen risicodrager betaalt geen gedifferentieerde WAO-premie, maar moet
de WAO-uitkeringen van de werknemers die op de eerste dag van
arbeidsongeschiktheid bij hem in dienst waren gedurende de eerste vijf jaar (na invoering van het wetsvoorstel inzake de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting: de eerste vier jaar) zelf betalen. De werkgever die eigen risicodrager wordt heeft het inlooprisico en het uitlooprisico. Het inlooprisico houdt in dat de werkgever de WAO-uitkeringen die nog geen vijf (vier) jaar lopen, zelf moet uitbetalen. De verzekeraar zal dat risico niet dekken, en het verdient dan ook sterke aanbeveling dat werkgevers die een overstap overwegen zich er terdege van overtuigen (bijvoorbeeld door navraag te doen bij het UWV) dat er geen lopende WAO-uitkeringen zijn of zitten aan te komen. Het uitlooprisico houdt in dat de eigen risicodrager bij het einde van het eigen risicodragen verplicht blijft de WAO-uitkeringen die nog geen vijf (vier) jaar hebben gelopen, uit te betalen. Dit risico valt als regel onder de dekking van de verzekering, ook na beëindiging daarvan.
Door de vergelijking met sectorgewijs vastgestelde gedifferentieerde
WAO-premies is eigen risicodragen alleen nog interessant voor werkgevers die een gunstig risico vormen ten opzichte van werkgevers in de eigen bedrijfstak. Doorgaans zal het gaan om werkgevers met veel relatief jong personeel (waarbij het risico onder ogen moet worden gezien van premiestijging bij veroudering van het personeel), of werkgevers met een arbeidsongeschiktheid- en reïntegratiebeleid, dat zo succesvol is, dat verzekeraars bereid zijn daarmee bij hun premiestelling rekening te houden. Werkgevers met een sterk stijgende loonsom zijn niet langer een interessante doelgroep voor het eigen risicodragen, omdat de ontwikkeling van de eigen loonsom in het verleden geen rol meer speelt bij de bepaling van de gedifferentieerde WAO-premie en omdat het niet meer de uitbetaalde
WAO-uitkeringen van twee jaar eerder zijn, die de hoogte van de
gedifferentieerde WAO-premie bepalen, maar de verwachte WAO-uitkeringen van het premiejaar zelf.
Al met al verwachten wij geen grote toepassingsmogelijkheden voor deze
laatste mogelijkheid om nog eigen risicodrager te worden.
Werkgevers die er toch voor willen kiezen om nog eigen risicodrager te
worden, kunnen altijd weer per 1 januari of per 1 juli van elk kalenderjaar terug de WAO in. Zij moeten dan vóór 1 oktober respectievelijk vóór 1 april een verzoek indienen bij het UWV. Voornaamste zorg is dan, dat de verplichting tot betaling van premie aan de particuliere verzekeraar op dat moment eindigt. Eenmaal terug in de WAO, kan de kleine werkgever geen eigen risicodrager meer worden, behalve als hij inmiddels een grote werkgever is geworden, en dan nog pas weer na het verstrijken van drie jaar na het beëindigen van het eigen risicodragen.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.