Verzoek om arbeidsduurvermindering afgewezen

Uitgavejaar: 2005
Uitgavenummer: 111
Vindplaats: Kantonrechter 11 juli 2005, JAR 2005, JAR 2005/182

Uitspraak

Een werkneemster is sinds 15 augustus 2002 in dienst van een organisatie voor kinderopvang als groepsleidster. Zij werkt de ene week drie en de andere week vier dagen per week. Na een periode van zwangerschapsverlof heeft de werkneemster van 1 februari 2004 tot 1 februari 2005 ouderschapsverlof genoten, waarbij zij twee dagen van 8,75 uur per week gewerkt heeft. Een aanvraag om na het ouderschapsverlof twee dagen per week te kunnen blijven werken, wordt afgewezen. De werkgever baseert de afwijzing van dat verzoek op het gevoerde pedagogische beleid om te streven naar vaste gezichten op de groep kinderen en dus naar zo min mogelijk verschillende leidsters. Vanwege problemen met de opvang van haar kind neemt de werkneemster regelmatig verlofdagen op, maar omdat haar tegoed aan verlofdagen daarvoor uiteindelijk tekort schiet, doet zij een beroep op de Wet Aanpassing Arbeidsduur om haar arbeidsduur te verlagen naar 17,5 uur per week.

Als de kantonrechter daarover in kort geding moet oordelen, stelt hij de op de Wet Kinderopvang gebaseerde verplichting van de werkgever voorop, om zowel kwalitatief als kwantitatief op zodanige manier voor personeel te zorgen dat verantwoorde kinderopvang mogelijk is. De kantonrechter volgt het verweer van de werkgever dat honorering van het verzoek van de werkneemster zou betekenen dat de werkgever buiten de grenzen van het door hem in dat kader vastgestelde beleid zou treden. Dat vaste collega’s de openvallende uren zouden kunnen opvullen, is niet aannemelijk geworden. De kantonrechter weegt mee dat eerder door de werkgever wel een vermindering van 3,5 naar 2,5 dag is gehonoreerd. Dat tewerkstelling gedurende twee dagen per week tijdens het ouderschapsverlof wel mogelijk was, en dat de werkneemster door het opnemen van verlofdagen daarna feitelijk ook maar twee dagen per week gewerkt heeft, verandert de conclusie van de kantonrechter niet. Daarbij was sprake van een tijdelijke maatregel, terwijl de werkneemster om een definitieve regeling vraagt.


Commentaar

De positie van de werkgever bij een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur is doorgaans niet zo gunstig. Vaak gaat het om werkneemsters die de zorg voor een pas geboren kind op zich willen nemen, en die tevoren al in de gewenste lagere arbeidsomvang hebben gewerkt tijdens de periode van ouderschapsverlof. Ouderschapsverlof is een wettelijk recht dat de werkgever niet kan weigeren. Als de werkneemster vervolgens stelt dat tijdens het ouderschapsverlof niet is gebleken van onoverkomelijke problemen bij het werken in de lagere arbeidsomvang, wordt het voor de werkgever moeilijk om te stellen en zo nodig te bewijzen dat er zwaarwichtige redenen zijn om het verzoek om vermindering van de arbeidsduur af te wijzen. In de meeste gevallen loopt de zaak voor de werkgever dan ook niet zo goed af als in het onderhavige geval.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.