Verzoek om vermindering arbeidsduur afgewezen

Uitgavejaar: 2003
Uitgavenummer: 72
Vindplaats: Zie: kantonrechter Zutphen 26 november 2002, JAR 2003/8

Uitspraak

Een 52-jarige werknemer werkt al bijna tien jaar als chef de bureau op een regionaal verkoopkantoor, als hij zijn werkgever in februari/maart 2001 te kennen geeft uiterlijk per 1 augustus 2001 32 uur per week te willen gaan werken. Omdat een bevredigende reactie uitblijft, schrijft hij op 23 april 2001 een brief aan zijn werkgever, waarin hij zijn wens om minder te gaan werken herhaalt. Hij stelt daarbij vier werkdagen van acht uur voor en als ingangsdatum bij voorkeur 1 juni 2001 en uiterlijk 1 augustus 2001. Op of omstreeks 20 juli 2001 wijst de werkgever het verzoek mondeling af. Reden daarvan is dat de werkgever niet wenst dat een leidinggevende functie parttime vervuld wordt. Parttime werken zou wel kunnen als de werknemer genoegen zou nemen met de functie van zijn assistent. De werknemer schrijft daarop op 15 augustus 2001 een tweede brief aan zijn werkgever waarin hij een beroep doet op de Wet aanpassing arbeidsduur. Hij wijst daarin op de wettelijke verplichting van de werkgever om schriftelijk te reageren en op het recht om aanpassing van de arbeidsduur met behoud van zijn eigen functie. De werknemer maakt nu aanspraak op vermindering van de arbeidsduur per 1 september 2001. Op 23 september 2001 schrijft de werkgever een brief, die de werknemer op 1 of 2 oktober 2001 ontvangt, waarin de werkgever het verzoek nogmaals afwijst.Een vordering tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening wordt ingesteld, maar weer ingetrokken, om partijen de kans te geven alsnog in overleg tot een regeling te komen. Als dat niet lukt vordert de werknemer in een bodemprocedure arbeidstijdvermindering. De werknemer stelt daarbij dat het verzoek geacht moet worden te zijn ingewilligd, omdat er geen zwaarwegende bedrijfsbelangen zijn die zich tegen inwilliging verzetten. De werkgever stelt daartegenover dat de werknemer geen rechtsgeldig verzoek tot vermindering van de arbeidsduur heeft gedaan, omdat het eerste verzoek mondeling was gedaan, het tweede verzoek zonder verwijzing naar de Wet aanpassing arbeidsduur en op een te korte termijn was gedaan en het derde was gedaan binnen twee jaar na afwijzing van het eerdere verzoek.Voor wat betreft het verzoek van 23 april 2001 oordeelt de kantonrechter dat een uitdrukkelijke verwijzing naar de Wet aanpassing arbeidsduur niet noodzakelijk is, zo lang maar aan de voorwaarden van de wet wordt voldaan. De kantonrechter overweegt dat de sanctie van de Wet aanpassing arbeidsduur (toewijzing van het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur als de werkgever niet binnen een maand vÛÛr het beoogde tijdstip van aanpassing heeft beslist), met zich meebrengt dat de eisen waaraan een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur moet voldoen, strikt moeten worden geinterpreteerd. Het eerste verzoek voldoet niet aan de eisen van de wet omdat het mondeling gedaan is. Het tweede verzoek is op te een korte termijn gedaan en voldoet daarmee ook niet aan de eisen van de wet. Het derde verzoek is weliswaar niet ongeldig vanwege het feit dat het gedaan is binnen twee jaar na een eerder verzoek (omdat er geen eerder rechtsgeldig verzoek was), maar wel omdat ook dat verzoek niet is gedaan met inachtneming van de wettelijk voorgeschreven termijn van vier maanden vóór het beoogde tijdstip van ingang. De kantonrechter overweegt verder dat inwilliging van het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur daarmee alleen nog kan worden gebaseerd op de eisen van goed werkgeverschap, maar dat de werknemer zijn vordering daar niet op gebaseerd heeft en dat ook niet is gebleken dat de (door de werkgever uitvoerig gemotiveerde en van een alternatief voorziene) afwijzing van het verzoek onredelijk was. De vorderingen van de werknemer worden daarom door de kantonrechter afgewezen.


Commentaar

De Wet aanpassing arbeidsduur beschrijft niet in welke gevallen de werknemer wel en niet recht heeft op aanpassing (vermeerdering of vermindering) van zijn arbeidsduur, maar geeft slechts open normen aan voor de toetsing van een dergelijk verzoek en beschrijft vrij nauwkeurig de bij het indienen en beoordelen van een dergelijk verzoek te volgen procedure. Dat verklaart waarschijnlijk waarom de kantonrechter zo strikt toetst of de procedure wel correct is gevolgd. Op zich zou de werknemer nu nog een nieuw verzoek kunnen indienen waarbij hij de wettelijke procedure wel precies volgt, maar gelet op hetgeen de kantonrechter overweegt over de redelijkheid van de motivering voor afwijzing van het verzoek lijkt een dergelijk verzoek niet veel kans meer te maken.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.