Zesde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tegelijkertijd door een beëindigingsovereenkomst wordt beëindigd

Uitgavejaar: 2017
Uitgavenummer: 293
Vindplaats: Kantonrechter Amsterdam 24 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8665

Uitspraak

Een werkgever die in strijd met de wet geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanbood maar steeds een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met gelijktijdige ondertekening van een beëindigingsovereenkomst, handelde in strijd met goed werkgeverschap en ernstig verwijtbaar. De werkgever moest de vergoeding wegens het niet voldoen aan de aanzegverplichting en de transitievergoeding betalen.

De werkgever hield zich bezig met de detachering van personeel op medische onderzoeksprojecten. Deze projecten waren steeds afhankelijk van externe financiering. De werkgever wilde daarom geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd sluiten. Met een werknemer was een arbeidsovereenkomst gesloten waardoor deze vanaf 1 februari 2010 voor de duur van een project, maar uiterlijk tot en met 31 januari 2011, zou werken als research analist. Lopende deze arbeidsovereenkomst werd deze uiterlijke einddatum verlengd tot en met 31 januari 2013. Vervolgens werd de arbeidsovereenkomst verlengd tot en met 31 juli 2013. Gelijktijdig daarmee werd echter een vaststellingsovereenkomst getekend waarbij werd gesteld dat door de uitloop van het project en de daarmee verband houdende verlenging van de arbeidsovereenkomst onbedoeld een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan, maar dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen per 31 juli 2013 omdat dan het project zou eindigen wegens het einde van de externe financiering. Op deze wijze worden later nog eens drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en drie vaststellingsovereenkomsten strekkend tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesloten. De laatste daarvan eindigt op 28 februari 2017. Hoewel de werkgever opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en een vaststellingsovereenkomst aanbiedt, gaat de werknemer daar niet op in omdat hem elders een arbeidsovereenkomst is aangeboden. Na het einde van de arbeidsovereenkomst vordert de werknemer bij de kantonrechter betaling van een vergoeding wegens het niet voldoen aan de aanzegplicht en de transitievergoeding.
Het verweer van de werkgever dat de aanzegvergoeding niet verschuldigd is omdat met de gesloten beëindigingsovereenkomsten aan de aanzegverplichting is voldaan, wordt door de kantonrechter niet gevolgd omdat de werkgever feitelijk geen duidelijkheid bood over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Wel is de kantonrechter van mening dat wettelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat de aanzegverplichting daarom niet gold, maar omdat de werkgever zich door de gevolgde wijze van contracteren nu juist heeft willen onttrekken aan de wettelijke bescherming die de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de werknemer biedt, acht de kantonrechter het beroep van de werkgever op de wet op dit punt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter acht de aanzegverplichting in de bijzondere omstandigheden van het geval van overeenkomstige toepassing.
Met betrekking tot de transitievergoeding is de kantonrechter van mening dat het verweer van de werkgever dat geen sprake is van opzegging van de arbeidsovereenkomst maar van een beëindiging met wederzijds goedvinden, zodat geen transitievergoeding verschuldigd is, slaagt. Toch veroordeelt de kantonrechter de werkgever ook tot betaling van de transitievergoeding. Deze is, buiten het geval van opzegging door de werkgever, namelijk ook verschuldigd bij opzegging door de werknemer als gevolg van ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever. De kantonrechter merkt daartoe een e-mailbericht van de werknemer aan de werkgever, waarin hij mededeelt ander werk te hebben gevonden, aan als een opzegging door de werknemer. Het gedrag van de werkgever, die sinds 2015 bekend stelde te zijn met de juridische onhoudbaarheid van de gevolgde wijze van contracteren maar desondanks naliet de werknemer te informeren over zijn wettelijke positie, wordt door de kantonrechter aangemerkt als ernstig verwijtbaar gedrag. Daarmee is de transitievergoeding verschuldigd.


Commentaar

De wet beschermt de werknemer tegen de onzekerheid die uitgaat van een te ver gaande verlenging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Daartoe is bepaald dat verlengde arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van rechtswege worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien meer dan drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden gesloten of indien de totale duur van de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd de duur van 36 maanden (na de invoering van de Wet werk en zekerheid op 1 juli 2015: 24 maanden) te boven gaat. Het behoeft dan niet te verbazen dat een werkwijze waarbij middels gelijktijdig te sluiten arbeidsovereenkomsten en beëindigingsovereenkomsten beoogd wordt precies dat te bereiken wat de wet verbiedt, geen genade vindt in de ogen van de rechter. De beschikking van de kantonrechter zegt echter ook iets wat van belang is voor de door werkgevers in de praktijk wel toegepaste “aanzegging op voorhand” betreffende het na het verstrijken van de overeengekomen duur niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Als die aanzegging geen feitelijke duidelijkheid biedt over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst (doordat in de praktijk steeds na het verstrijken van de overeengekomen duur alsnog wordt bezien of de arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet), is niet aan de aanzegverplichting voldaan.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.