Is een beding rechtsgeldig dat verbiedt om vakantiedagen mee over te nemen naar een volgend jaar?

Uitgavejaar: 2017
Uitgavenummer: 281
Vindplaats: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:345

Uitspraak

De werknemer kon een beding in de arbeidsovereenkomst vernietigen, op grond waarvan niet opgenomen vakantiedagen aan het einde van het kalenderjaar zouden vervallen.

Bij een bedrijf in de zuivelindustrie werkte een werknemer als bedrijfsleider. Zijn arbeidsovereenkomst is per 1 april 2016 opgezegd. De werknemer maakt dan aanspraak op een vergoeding wegens opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. De werkgever verweert zich daartegen echter met de stelling dat de werknemer geen recht meer kan doen gelden op vakantiedagen die aan het einde van het kalenderjaar niet zijn opgenomen. Die bepaling is volgens de werkgever in de arbeidsovereenkomst opgenomen omdat de werknemer grote vrijheid had om zijn arbeidstijden zelf te bepalen, waardoor de werkgever niet kon controleren of en in hoeverre vakantiedagen waren opgenomen.
Als over deze zaak geprocedeerd wordt, acht het gerechtshof, in navolging van de kantonrechter, de bepaling in de arbeidsovereenkomst vernietigbaar vanwege strijd met de wettelijke bepaling volgens welke vakantiedagen, voor wat betreft het wettelijke minimum aantal (vier weken per jaar), pas vervallen nadat zes maanden zijn verstreken na het kalenderjaar waarin deze vakantiedagen zijn opgebouwd. Van die bepaling kan volgens de wet slechts ten gunste van de werknemer worden afgeweken. Voor zover het bovenwettelijke vakantiedagen betreft (meer dan vier weken per jaar), leidt het gerechtshof uit het wettelijke verbod tot afkoop van vakantiedagen af dat voor bovenwettelijke vakantiedagen wel afkoop mogelijk is, maar uitsluitend als de vakantiedagen daarbij uitbetaald worden.


Commentaar

Het argument dat het wettelijke verbod tot afkoop van bovenwettelijke vakantiedagen in de weg staat aan een contractuele bepaling volgens welke vakantiedagen vervallen als zij niet in een bepaald kalenderjaar zijn opgenomen (“anti-oppotbeding”), is niet erg sterk. De wet staat namelijk voor de bovenwettelijke vakantiedagen afwijking bij schriftelijke overeenkomst toe en verbindt daaraan in het geheel niet de voorwaarde dat dit alleen tegen betaling kan geschieden. Onduidelijk is waarom het gerechtshof zich niet beroept op de bepaling die stelt dat bovenwettelijke vakantiedagen pas na vijf jaar verjaren. Van die bepaling kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
Een anti-oppotbeding is in het verleden wel rechtsgeldig bevonden, omdat daarmee zou worden bevorderd dat de werknemer zijn vakantiedagen tijdig opneemt en dus de beoogde arbeidsrust tijdig geniet. Maar het vervallen van niet genoten vakantiedagen lijkt toch een wel zeer eigenaardig middel om dat doel te bereiken. De redenering dat aldus in strijd van de wet wordt afgeweken van de regels ter zake van verval en verjaring van de vakantiedagen, is veel beter op de wet te baseren.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.