Premieheffing en vertrouwensbeginsel

Uitgavejaar: 2002
Uitgavenummer: 55
Vindplaats: Centrale Raad van Beroep 15 november 2001, USZ 2001/315

Uitspraak

Een grote assurantietussenpersoon verstrekt aan haar werknemers een betaling in contanten ter grootte van de provisie die zij ontvangt voor door haar werknemers via haar afgesloten verzekeringen. Tussen de assurantietussenpersoon en het Lisv ontstaat een geschil over de vraag of deze betaling moet worden beschouwd als loon waarover premies werknemersverzekeringen worden ingehouden. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep zijn van mening dat sprake is van premieplichtig loon, omdat geen sprake is van een product uit eigen bedrijf, nu de verzekeringen met een verzekeringsmaatschappij worden gesloten. Daardoor is de vrijstellingsregeling van de Sociale Verzekeringsraad van 27 november 1986, nr. 892 (die aansluit bij de resolutie van de Staatssecretaris van FinanciÎn van 14 mei 1986, nr. 286-7275) niet van toepassing.De assurantietussenpersoon had ook nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat op 23 september 1993 een looncontrole had plaatsgevonden over de jaren 1988 tot en met 1992, waarbij ter zake van de personeelskortingen geen correcties hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van dit beroep op het vertrouwensbeginsel stellen rechtbank en Centrale Raad van Beroep voorop dat premieschulden van rechtswege ontstaan en dat het Lisv in beginsel verplicht is om met inachtneming van de wettelijke verjaringstermijnen de verschuldigde premies vast te stellen. Onder omstandigheden kan zich wel de situatie voordoen dat door een uitvoeringsinstelling bij een werkgever zodanig vertrouwen is gewekt dat geen rechtsplicht tot premievaststelling meer bestaat, maar dan moet duidelijk zijn dat het betreffende onderwerp niet over het hoofd is gezien, bijvoorbeeld omdat de relevante bescheiden tijdens de controle zijn getoond en besproken. Omdat daarvan in het onderhavige geval niet blijkt, blijft de naheffing van premies in stand.


Commentaar

Vooral voor fiscalisten leidt een beroep op het vertrouwensbeginsel in procedures betreffende de premieheffing werknemersverzekeringen vaak tot een teleurstelling. De Centrale Raad van Beroep is namelijk veel minder scheutig met het honoreren van een dergelijk beroep dan de belastingkamer van de Hoge Raad. Dit terwijl bijvoorbeeld loonbelastingschulden evenzeer uit de wet ontstaan als premieschulden, zodat in gelijke mate sprake zou zijn van een rechtsplicht tot het vaststellen van die schulden.



Een reactie plaatsen


Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Neem de code over: *


Reacties


Er zijn nog geen reacties.