Werkgever kan geen beroep doen op concurrentiebeding

Werkgever kan geen beroep doen op concurrentiebeding
Datum: 00-00-0000
Uitgavejaar en uitgavenummer: 2010 / 179
Vindplaats: Kantonrechter Emmen 3 februari 2010, www.rechtspraak.nl, ljn: BL6404
Uitspraak

Een werknemer gaat op 1 januari 1994 bij een bedrijf werken, waarvan de activa en passiva op 1 juni 2006 worden verkocht aan een ander bedrijf. De werknemer komt daardoor van rechtswege bij dat andere bedrijf in dienst. Op 29 februari 2008 worden de aan de bank verpande activa van dat andere bedrijf verkocht aan een derde bedrijf. Dat behelst ook een overgang van onderneming en de werknemer komt daarom ook nu van rechtswege in dienst bij dat derde bedrijf. Dat wordt hem echter pas op 29 februari 2008 medegedeeld. Bij de tweede overgang krijgen de werknemers ook te maken met een andere directeur. Het tweede bedrijf wordt op 25 maart 2008 failliet verklaard.

De werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst met het derde bedrijf opgezegd met ingang van 1 mei 2008. Na eerst vanaf 1 mei 2008 nog elders te hebben gewerkt, treedt de werknemer op 1 februari 2009 in dienst van een bedrijf dat gerund wordt door de voormalige directeur van het eerste en tweede bedrijf.

Dat laatste is tegen het verkeerde been van de oude werkgever (het derde bedrijf hierboven). Op 27 april 2009 legt dat bedrijf ten laste van de werknemer conservatoir derdenbeslag ter verzekering van het latere verhaal van boetes die verbeurd zouden zijn wegens overtreding van het tussen partijen geldende concurrentiebeding. Vervolgens stelt de kantonrechter dat concurrentiebeding in een kort geding tijdelijk buiten werking omdat al meer dan een jaar is verstreken wegens de uitdiensttreding op 1 mei 2008.

In een bodemprocedure vordert de werkgever betaling van verbeurde boetes en naleving van het concurrentiebeding. Die vorderingen wijst de kantonrechter af. Het concurrentiebeding, dat oorspronkelijk een looptijd van een jaar had, acht de kantonrechter na het eerste jaar niet meer geldig. Ook vindt de kantonrechter van belang dat de werknemer niet willens en wetens het concurrentiebeding heeft overtreden. Hij is eerst elders in dienst geweest en bij zijn vertrek is niet op het concurrentiebeding gewezen. Ook toen de werknemer mededeelde bij een bedrijf van de voormalig directeur in dienst te zullen treden, heeft de voormalig werkgever daar aanvankelijk niet tegen geprotesteerd. Verder heeft de werkgever niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de werknemer tijdig vooraf op de hoogte te stellen van het voorgenomen besluit tot overdracht van de onderneming. Het concurrentiebeding is verder volgens de kantonrechter vervallen omdat het niet opnieuw schriftelijk is vastgelegd bij de gelegenheid van de beide keren dat de onderneming overging en bij een aantal vooraf niet voorzienbare wijzigingen van de functie van de werknemer. Daarbij ging het volgens de kantonrechter om ingrijpende wijzigingen van de arbeidsovereenkomst, waardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder op de werknemer ging drukken, zodat het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk overeengekomen had moeten worden. Tenslotte overweegt de kantonrechter dat meerdere werknemers bij het bedrijf van de voormalig directeur in dienst zijn getreden zonder dat zij aan het concurrentiebeding zijn gehouden. De kantonrechter verwijt de werkgever dat zij de indruk wekt verzuimd te hebben bij de overdracht van het bedrijf goede afspraken te hebben gemaakt over de concurrerende activiteiten van de voormalige directeur en dat zij daarom nu oneigenlijk gebruik maakt van het concurrentiebeding.


Commentaar

De werknemer in deze zaak (en nog twee andere werknemers waar exact hetzelfde aan de hand was) werden vertegenwoordigd door één van de advocaten van ons kantoor. Opvallend in deze zaak is vooral dat de kantonrechter de werkgever verwijt de werknemers niet in kennis te hebben gesteld van het voorgenomen besluit tot overdracht van de onderneming. Die wettelijke verplichting wordt nog wel eens over het hoofd gezien.

Het vonnis van de kantonrechter is inmiddels bekritiseerd omdat de overgang van de onderneming wordt aangemerkt als een ingrijpende wijziging van de arbeidsovereenkomst waardoor het concurrentiebeding zwaarder gaat drukken en die aldus leidt tot het vervallen van het concurrentiebeding. Het probleem daarvan voor werk-gevers is natuurlijk dat er (anders dan bij een voorgenomen functiewijziging) voor de werknemer geen enkele reden is om akkoord te gaan met hernieuwde schriftelijke vastlegging van een concurrentiebeding.