Vervallen van vakantiedagen van arbeidsongeschikte werknemer


Uitgavejaar: 2021
Uitgavenummer: 435
Vindplaats: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8899

Uitspraak

Een arbeidsongeschikte werkneemster waarvan de arbeidsovereenkomst op 30 juni 2019 eindigde, verloor het recht op uitbetaling van de wettelijke vakantiedagen van 2016 en 2017, maar niet die van 2018.

Bij een stichting die werkzaam is in de gehandicaptenzorg werkt een werkneemster in de functie van sectormanager. Bij een reorganisatie wordt zij per 1 juli 2017 boventallig verklaard en vrijgesteld van werkzaamheden. In oktober 2017 meldt de werkneemster zich ziek. De bedrijfsarts is aanvankelijk van oordeel dat de klachten van de werkneemster voortvloeien uit de ontstane situatie en niet uit ziekte, maar komt op een later moment tot het oordeel dat alsnog sprake is van ziekte. Tussen beide partijen ontwikkelt zich een fors conflict, dat uiteindelijk eindigt met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter met ingang van 1 juli 2019. Vanaf 5 april 2019 wordt de werkneemster niet meer arbeidsongeschikt geacht.
Tussen partijen resteert dan nog een geschil over het recht van de werkneemster op uitbetaling van 55 niet genoten wettelijke vakantiedagen over de jaren 2016, 2017 en 2018. De werkgever stelt dat deze vakantiedagen zijn vervallen, omdat de werkneemster ze niet voor 1 juli 2019 heeft opgenomen. De kantonrechter wijst de vordering van de werkneemster tot uitbetaling van de vakantiedagen om die reden af, maar de werkneemster stelt hoger beroep in bij het gerechtshof.
Met betrekking tot de vakantiedagen van 2018 stelt het hof dat die pas op 1 juli 2019 zouden vervallen, terwijl de laatste dag van de arbeidsovereenkomst op 30 juni 2019 viel. Omdat de uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen op 30 juni 2019 moest plaatsvinden, was de werkgever verplicht om deze vakantiedagen uit te betalen. De vordering tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% wordt daarbij door het gerechtshof gematigd tot 30%.
De vakantiedagen van 2016 zijn volgens het gerechtshof wel vervallen, omdat de werkneemster bij het eindigen van de vervaltermijn op 1 juli 2017 nog niet arbeidsongeschikt was. Volgens het gerechtshof had de werkgever ook voldaan aan de verplichting om de werkneemster te informeren over het bestaan van de vervaltermijn en om de werkneemster er toe aan te zetten om de vakantiedagen tijdig op te nemen. De werkgever had in januari 2016 namelijk een memo gestuurd naar alle medewerkers waarin er op gewezen was dat de vakantiedagen van 1 juli 2016 zouden moeten worden opgenomen, omdat ze anders zouden vervallen. Bovendien had de werkneemster in haar functie van sectormanager namens het managementteam van de werkgever alle teammanagers daar nog op gewezen.
Met betrekking tot de vakantiedagen van 2017 was het hof wel van mening dat deze eveneens waren vervallen, omdat de medische belemmeringen van de werkneemster niet zodanig waren dat zij redelijkerwijs niet in staat was om vakantie op te nemen. Er was vanwege het arbeidsconflict slechts sprake van arbeidsongeschiktheid voor het werk bij de eigen werkgever.


Commentaar

Wettelijke vakantiedagen (de eerste vier weken per jaar) vervallen als ze niet zijn opgenomen binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd. Bovenwettelijke vakantiedagen verjaren vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd. Het verschil tussen een vervaltermijn en een verjaringstermijn is dat op een verjaringstermijn een beroep moet worden gedaan, terwijl de rechter een vervaltermijn uit eigen beweging moet toepassen. Bovendien kan de werknemer er voor zorgen dat de verjaringstermijn opnieuw gaat lopen door de werkgever schriftelijk te berichten dat hij aanspraak op de vakantiedagen wil blijven maken, terwijl dat bij een vervaltermijn niet kan.
Op de vervaltermijn ter zake van de vakantiedagen kan vanwege rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen beroep worden gedaan als de werknemer niet in staat is geweest om de vakantiedagen binnen de vervaltermijn op te nemen. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat arbeidsongeschikte werknemers niet in staat zijn om vakantiedagen op te nemen als zij ook niet in staat zijn om te re-integreren.
In 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat de werkgever geen beroep kan doen op de vervaltermijn betreffende de wettelijke vakantiedagen als hij niet eerst de werknemer nauwkeurig en tijdig heeft geïnformeerd dat hij zijn recht op vakantie verliest als de vakantiedagen niet binnen de vervaltermijn zijn opgenomen.
Het hof heeft al deze regels in zijn arrest keurig aangehaald en toegepast. Voor wat betreft het niet vervallen zijn van de vakantiedagen van 2018 kan echter worden getwijfeld. De redenering dat de niet genoten vakantiedagen op 30 juni 2019 moesten worden afgerekend en dat de wettelijke vakantiedagen van 2018 op 1 juli 2019 zijn vervallen, doet gekunsteld aan aangezien zowel het einde van de arbeidsovereenkomst als het vervallen van de vakantiedagen plaatsvinden op hetzelfde “ondeelbare moment” tussen 30 juni 2019 en 1 juli 2019. Doel van de vervaltermijn is om de werknemer er toe aan te zetten om de wettelijke vakantiedagen op te nemen binnen zes maanden na het einde van het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd. De werkneemster heeft deze periode volledig kunnen benutten, maar heeft dat niet gedaan. Naar onze mening gold de vervaltermijn van zes maanden daarom ook voor de vakantiedagen van 2018.