Toelichting berekening schadeclaims vakantiedagen

Jaar en kwartaal
2016, 2e kwartaal
Nummer
10

Bronnen:


Artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn verplicht de Lid-Staten van de Europese Unie om maatregelen te treffen teneinde een minimumvakantie met behoud van loon gedurende tenminste vier weken per jaar te garanderen.

In zijn arrest van 20 januari 2009 (Schultz-Hoff) heeft het Hof van Justitie EU bepaald dat dit betekent dat een werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid vakantiedagen dient op te bouwen zolang als hij tijdens ziekte recht op loon heeft, in Nederland derhalve gedurende 104 weken.

Naar aanleiding van dit arrest heeft is het Nederlandse Burgerlijk Wetboek bij wet van 26 mei 2011 gewijzigd per 1 januari 2012. Vanaf 1 januari 2012 hebben Nederlandse werknemers derhalve daadwerkelijk recht op opbouw van vakantiedagen tijdens arbeidsongeschiktheid gedurende de duur van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte. Dit recht hadden Nederlandse werknemers echter al vanaf 23 november 1996 moeten hebben, omdat dat de uiterste datum was waarop de Nederlandse regering de Richtlijn in Nederlandse wetgeving had moeten omzetten.

In een arrest van 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, heeft de Hoge Raad de Nederlandse Staat aansprakelijk geacht voor de schade die werknemers hebben geleden doordat de Arbeidstijdenrichtlijn niet tijdig in Nederlandse wetgeving was omgezet, waardoor werknemers van 23 november 1996 tot 1 januari 2012 geen volledige opbouw van vakantiedagen tijdens arbeidsongeschiktheid hebben genoten. 

In een publicatie van 23 februari 2016 heeft het Agentschap SZW aangegeven dat het schadeclaims die ter zake bij de Nederlandse Staat zijn ingediend (ongeveer 1.300) zal gaan afhandelen op volgorde van binnenkomst.

Inmiddels heeft het Agentschap SZW een toelichting gepubliceerd, waarin wordt aangegeven op welke wijze de Staat de ingediende schadeclaims zal gaan afwikkelen. Daarbij wordt een uniforme methode gehanteerd, die enerzijds rekening houdt met de individuele situatie van werknemers maar anderzijds op een aantal punten is vereenvoudigd, om werknemers tegemoet te komen bij het aanleveren van bewijsstukken.

Uitgangspunten van de Staat bij het betalen van schadevergoeding zijn dat:
  • de werknemer tussen 23 november 1996 (de datum waarop de Arbeidstijdenrichtlijn in Nederlandse wetgeving zou moeten zijn omgezet) en 1 januari 2012 meer dan een half jaar ziek moet zijn geweest terwijl hij in loondienst was;
  • de arbeidsovereenkomst voor of op 23 november 2016 moet zijn geëindigd (derhalve binnen twintig jaar nadat de Arbeidstijdenrichtlijn in Nederlandse wetgeving zou moeten zijn omgezet, hetgeen verband zal houden met de verjaringstermijn van twintig jaar van artikel 3:310 B.W., volgens welke rechtsvorderingen tot schadevergoeding in elk geval verjaren door verloop van twintig jaren naar de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt);
  • de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst geen vergoeding mag hebben ontvangen voor de laatste anderhalf jaar (de Nederlandse wet verplichtte de werkgever immers steeds al om bij het einde van de arbeidsovereenkomst de vakantiedagen gedurende het eerste halfjaar te vergoeden) van de vakantiedagen die opgebouwd zijn tijdens ziekte;
  • de claim verjaard is als na het einde van de arbeidsovereenkomst of na 20 januari 2009 (de datum van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie) vijf jaar is verstreken hetgeen verband zal houden met de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:310 B.W., volgens welke rechtsvorderingen tot schadevergoeding verjaren door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.N.B.: Het is opmerkelijk dat de Staat enerzijds zijn verplichting tot schadevergoeding heeft ontkend tot het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2015 en dat de Staat anderzijds van mening is dat de verjaringstermijn reeds is aangevangen bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 januari 2009.
De Staat betaalt een vergoeding per misgelopen vakantiedag, wettelijke rente vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot 30 dagen na verzending van het schikkingsvoorstel door het Agentschap SZW en een vergoeding van € 250 wegens buitengerechtelijke incassokosten. Alleen de misgelopen wettelijke vakantiedagen (vier weken per jaar) komen voor vergoeding in aanmerking. Vergoed worden de vakantiedagen vanaf de eerste ziektedag tot zes maanden voor het einde van de ziekteperiode. De vakantiedagen worden berekend alsof tijdens de gehele ziekteperiode 100% arbeidsongeschiktheid heeft bestaan. Uitgegaan wordt van het bruto uurloon op de datum van het einde van het dienstverband, waarbij 8% vakantietoeslag wordt opgeteld en een vergoeding voor de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie, waarbij wordt uitgegaan van de hoogte van het werkgeversdeel in de pensioenpremie van het ABP. 

Werknemers ontvangen een vaststellingsovereenkomst die zij getekend terug kunnen sturen aan het Agentschap SZW, waarna betaling binnen zes weken plaatsvindt. Werknemers die niet akkoord wensen te gaan met het schikkingsvoorstel van het Agentschap SZW moeten hun vordering voorleggen aan de civiele rechter, in welk geval op het schikkingsvoorstel geen beroep meer kan worden gedaan. Dat betekent dat werknemers alle benodigde bewijsstukken ter onderbouwing van hun schade zullen moeten overleggen. 

N.B.: Ten onrechte verwijst de Staat werknemers die kunnen bewijzen dat hun schade hoger is dan die waarvan het Agentschap SZW zal uitgaan (bijvoorbeeld omdat het werkgeversaandeel in de pensioenpremie hoger was dan bij het ABP) naar de civiele rechter. In zo verre als deze werknemers de bewijslast van hun schade rond zouden krijgen, zou de Staat tot vergoeding van de schade dienen over te gaan zonder dat werknemers verplicht worden daarover een procedure bij de civiele rechter te starten.

Anders dan in het geval de werkgever bij het einde van het dienstverband de vakantiedagen uitbetaald, wordt de ontvangen schadevergoeding voor de heffing van de inkomstenbelasting niet als loon aangemerkt.