Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2020 (Ziektewet en WGA)

Bronnen:


Het UWV heeft de parameters vastgesteld aan de hand waarvan de gedifferentieerde premie voor de Werkhervattingskas voor 2019 wordt berekend. Sinds de inwerkingtreding van de Wet verbetering hybride markt WGA, Staatsblad 2016, 221, per 1 januari 2017 bestaat de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas uit de volgende twee premiecomponenten (artikel 2.6 lid 1 Besluit Wfsv):

· de premiecomponent WGA-lasten (WGA);

· de premiecomponent ZW-lasten (Ziektewet).

Tot 1 januari 2017 bestonden verschillende premiecomponenten voor de WGA-vast en WGA-flex, waarbij het onderscheid was of voorafgaand aan de toekenning van de WGA-uitkering geen Ziektewetuitkering was toegekend (WGA-vast) of wel (WGA-flex).

De werkgever behoeft geen premie te betalen voor de premiecomponenten betreffende uitkeringen waarvoor de werkgever eigenrisicodrager is. Sinds 1 januari 2017 ontstaat bestaat de mogelijkheid om ook eigenrisicodrager te worden voor het WGA-flex risico maar uitsluitend samen met het WGA-vast risico.

Grens kleine, middelgrote en grote werkgevers

De wijze waarop de premiedifferentiatie wordt vastgesteld is verschillend voor kleine werkgevers, middelgrote werkgevers en grote werkgevers. De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers en de grens tussen middelgrote en grote werkgevers wordt bepaald aan de hand van de premieplichtige loonsom. Voor het jaar 2020 is daarbij de premieplichtige loonsom van 2018 bepalend.

Grensbedrag grote/kleine werkgever respectievelijk grote/middelgrote/kleine werkgever

Het gemiddelde premieplichtige loon is voor 2020 vastgesteld op € 33.700. Dat betekent voor de grenzen tussen kleine, grote en middelgrote werkgevers het volgende:


2020

klein:

middelgroot:

groot:

premieplichtige loonsom 2018:

≤ € 337.000

> € 337.000 maar

≤ € 3.370.000

> € 3.370.000

premie:

vaste sectorpremie

gewogen gemiddelde van individuele premiedifferentiatie en vaste sectorpremie

individuele premiedifferentiatie

In het verleden waren de loonsomgrenzen ingesteld als volgt:

jaar:

grote / kleine werkgever

2009

€ 705.000

2010

€ 730.000

2011

€ 747.500

2012

€ 755.000

2013

€ 757.500

jaar:

middelgrote / kleine werkgever

grote / middelgrote werkgever

2014

€ 307.000

€ 3.070.000

2015

€ 314.000

€ 3.140.000

2016

€ 319.000

€ 3.190.000

2017

€ 322.000

€ 3.220.000

2018

€ 328.000

€ 3.280.000

2019

€ 331.000

€ 3.310.000

2020

€ 337.000

€ 3.370.000

Het deel van de premie van de middelgrote werkgever dat per sector wordt bepaald en het deel dat op basis van de uitkeringen van de (ex-) werknemers wordt bepaald, wordt vastgesteld op grond van de volgende formule:

sectoraal bepaalde deel:

1 - ((premieplichtige loonsom werkgever in 2018 - € 337.000)/€ 3.370.000[1])%.

individueel bepaalde deel:

((premieplichtige loonsom werkgever in 2018 - € 337.000)/€ 3.370.000[2])%

Voorbeeld:

· Een werkgever met een premieplichtige loonsom in 2018 van € 1.000.000:

€ 1.000.000 - € 337.000 = € 663.000 (is deel van de loonsom boven de ondergrens)

€ 663.000 / € 3.033.000 = 0,2186.

Het sectoraal bepaalde deel van de premie is 1 - 0,2186 = 0,7814.

Het individueel bepaalde deel van de premie is 0,2186.

· Een werkgever met een premieplichtige loonsom in 2018 van € 2.000.000:

€ 2.000.000 - € 337.000 = € 1.663.000 (is deel van de loonsom boven de ondergrens)

€ 1.663.000 / € 3.033.000 = 0,5483.

Het sectoraal bepaalde deel van de premie is 1 - 0,5483 = 0,4517.

Het individueel bepaalde deel van de premie is 0,5453.

Kleine werkgever

Een kleine werkgever is een werkgever waarvan het premieplichtige loon twee kalenderjaren eerder (voor de premie over het jaar 2020 dus in 2018) kleiner dan of gelijk is aan tien maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (≤ € 337.000).

Voor kleine werkgevers geldt een vaste premie die per sector wordt vastgesteld. De vastgestelde sectorpremies luiden als volgt:

Sector

WGA

Ziektewet



2019

2020

verschil

2019

2020

verschil

1

Agrarisch bedrijf

0,59

0,60

0,01

0,27

0,28

0,01

2

Tabakverwerkende industrie

0,93

0,85

-0,08

0,20

0,39

0,19

3

Bouwbedrijf

0,86

0,86

0,00

0,24

0,28

0,04

4

Baggerbedrijf

0,52

0,97

0,45

0,09

0,30

0,21

5

Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie

0,79

0,84

0,05

0,27

0,49

0,22

6

Timmerindustrie

0,65

0,66

0,01

0,18

0,20

0,02

7

Meubel- en orgelbouwindustrie

0,74

0,54

-0,20

0,28

0,40

0,12

8

Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie

0,79

0,52

-0,27

0,24

0,16

-0,08

9

Grafische industrie

0,61

0,76

0,15

0,26

0,39

0,13

10

Metaalindustrie

0,49

0,81

0,32

0,28

0,33

0,05

11

Elektrotechnische industrie

0,29

0,39

0,10

0,72

0,18

-0,54

12

Metaal-en technische bedrijfstakken

0,73

0,76

0,03

0,34

0,34

0,00

13

Bakkerijen

1,20

1,14

-0,06

0,39

0,42

0,03

14

Suikerverwerkende industrie

1,15

1,19

0,04

0,37

0,13

-0,24

15

Slagersbedrijven

1,32

1,29

-0,03

0,34

0,54

0,20

16

Slagers overig

0,86

1,37

0,51

0,54

0,65

0,11

17

Detailhandel en ambachten

0,82

0,83

0,01

0,44

0,48

0,04

18

Reiniging

2,12

2,16

0,04

0,71

0,88

0,17

19

Grootwinkelbedrijf

0,83

0,92

0,09

0,39

0,67

0,28

20

Havenbedrijven

0,59

0,64

0,05

0,99

0,35

-0,64

21

Havenclassificeerders

0,88

1,50

0,62

0,55

0,33

-0,22

22

Binnenscheepvaart

0,64

0,46

-0,18

0,39

0,56

0,17

23

Visserij

0,61

0,71

0,10

0,69

0,33

-0,36

24

Koopvaardij

0,41

0,48

0,07

0,46

0,28

-0,18

25

Vervoer KLM

1,53

0,75

-0,78

0,68

0,51

-0,17

26

Vervoer NS

0,84

0,78

-0,06

0,68

0,54

-0,14

27

Vervoer posterijen

0,81

0,74

-0,07

0,84

0,75

-0,09

28

Taxivervoer

2,15

2,42

0,27

1,09

1,05

-0,04

29

Openbaar Vervoer

0,86

0,83

-0,03

1,25

0,53

-0,72

30

Besloten busvervoer

0,99

1,15

0,16

0,70

0,90

0,20

31

Overig personenvervoer te land en in de lucht

0,48

0,41

-0,07

0,77

0,27

-0,50

32

Overig goederenvervoer te land en in de lucht

0,76

0,72

-0,04

0,63

0,55

-0,08

33

Horeca algemeen

0,67

0,63

-0,04

0,56

0,67

0,11

34

Horeca catering

1,22

1,44

0,22

0,62

0,76

0,14

35

Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen

0,80

0,76

-0,04

0,33

0,47

0,14

38

Banken

0,39

1,08

0,69

0,16

0,06

-0,10

39

Verzekeringswezen

0,48

0,67

0,19

0,11

0,12

0,01

40

Uitgeverij

0,77

0,70

-0,07

0,28

0,33

0,05

41

Groothandel I

0,54

0,59

0,05

0,27

0,33

0,06

42

Groothandel II

0,61

0,68

0,07

0,27

0,37

0,10

43

Zakelijke Dienstverlening I

0,50

0,59

0,09

0,14

0,24

0,10

44

Zakelijke Dienstverlening II

0,34

0,36

0,02

0,28

0,34

0,06

45

Zakelijke Dienstverlening III

0,56

0,53

-0,03

0,50

0,35

-0,15

46

Zuivelindustrie

0,51

1,01

0,50

0,66

0,46

-0,20

47

Textielindustrie

0,64

0,80

0,16

0,05

0,07

0,02

48

Steen-, cement-, glas- en keramische industrie

1,08

1,43

0,35

0,34

0,38

0,04

49

Chemische industrie

0,85

1,06

0,21

0,24

0,40

0,16

50

Voedingsindustrie

0,70

0,96

0,26

0,45

0,40

-0,05

51

Algemene industrie

0,57

0,94

0,37

0,92

0,54

-0,38

52

Uitzendbedrijven

1,15

1,58

0,43

4,85

5,73

0,88

53

Bewakingsondernemingen

1,26

1,35

0,09

0,96

0,73

-0,23

54

Culturele instellingen

0,62

0,73

0,11

0,35

0,43

0,08

55

Overige takken van bedrijf en beroep

0,94

0,89

-0,05

0,43

0,54

0,11

56

Schildersbedrijf

1,82

1,67

-0,15

0,22

0,27

0,05

57

Stukadoorsbedrijf

1,79

1,40

-0,39

0,34

0,52

0,18

58

Dakdekkersbedrijf

1,81

1,49

-0,32

0,52

0,59

0,07

59

Mortelbedrijf

0,98

0,77

-0,21

0,06

0,35

0,29

60

Steenhouwersbedrijf

1,79

1,40

-0,39

0,34

0,52

0,18

61

Overheid, onderwijs en wetenschappen

0,94

1,07

0,13

0,10

0,13

0,03

62

Overheid, rijk, politie en rechterlijke macht

1,02

1,26

0,24

0,01

0,15

0,14

63

Overheid, defensie

0,00

1,16

1,16

0,04

0,13

0,09

64

Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen

0,82

1,43

0,61

0,04

0,11

0,07

65

Overheid, openbare nutsbedrijven

0,30

1,11

0,81

0,04

0,14

0,10

66

Overheid, overige instellingen

1,60

1,40

-0,20

0,15

0,12

-0,03

67

Werk en (re)Integratie

3,31

3,02

-0,29

1,30

1,52

0,22

68

Railbouw

0,83

0,89

0,06

0,14

0,27

0,13

69

Telecommunicatie

0,75

0,81

0,06

0,30

0,36

0,06

In het algemeen kan worden vastgesteld dat de sectorpercentages van de WGA ten opzichte van 2019 in totaal met 5,91% is gestegen en dat de sectorpercentages van de ZW ten opzichte van 2019 in totaal met 0,72% is gestegen.

Middelgrote werkgever

Een middelgrote werkgever is een werkgever waarvan het premieplichtige loon twee kalenderjaren eerder (voor de premie over het jaar 2020 dus in 2018) groter is dan tien maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer maar kleiner dan of gelijk aan honderd maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (> € 337.000 en ≤ € 3.370.000).

Voor middelgrote werkgevers geldt dat de premie gedeeltelijk wordt beïnvloed door de Ziektewet- en WGA-uitkeringen van (ex-) werknemers en dat de premie voor het overige deel per sector wordt vastgesteld op basis van een gewogen gemiddelde. Hoe groot het deel van de premie is dat wordt beïnvloed door de Ziektewet- of WGA-uitkering van ex-werknemers hangt af van de hoogte van de premieplichtige loonsom van de werkgever. Hoe dichter die bij de bovengrens met de grote werkgever ligt, hoe groter het deel van de premie is dat beïnvloed wordt door de Ziektewet- of WGA-uitkering van de ex-werknemer.


Grote werkgever

Een grote werkgevers is een werkgever waarvan het premieplichtige loon twee kalenderjaren eerder (voor de premie over het jaar 2020 dus in 2018) groter is dan honderd maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (> € 3.370.000).

Voor grote werkgevers geldt dat de premie volledig wordt bepaald aan de hand van de Ziektewet- en WGA-uitkeringen van (ex-) werknemers.

Premiecomponent WGA-lasten

De premies en parameters zijn als volgt vastgesteld:

Rekenpercentage (tot en met 2019)/gemiddelde percentage (2020)

Het rekenpercentage bestond tot en met 2019 uit het gemiddelde percentage dat over het premieplichtige loon van de publiek verzekerde werkgevers in een bepaald kalenderjaar moet worden geheven om de WGA-uitkeringen van de (ex-) werknemers van deze werkgevers in dat kalenderjaar te betalen, verhoogd met een opslag die onder meer dient:

· ter dekking van het effect van de maximumpremie;

· ter dekking van gederfde premie als gevolg van werkgevers die geen premie meer betalen omdat zij geen werkgever meer zijn of failliet zijn;

· ter instandhouding van vermogen van de Werkhervattingskas.

De premiedifferentiatie vond plaats door op het rekenpercentage een toeslag of korting toe te passen afhankelijk van het verschil tussen het individuele werkgeversrisicopercentage en het gemiddelde werkgeversrisicopercentage. Hoe hoger het rekenpercentage is, hoe hoger de gedifferentieerde premie die een werkgever moet betalen.

Met ingang van 2020 is het rekenpercentage vervallen. De verhoging met de opslag vindt dan plaats direct op het gemiddelde percentage. Omdat de minimumpremie en de maximumpremie worden berekend op basis van het gemiddelde percentage, is het (beoogde) gevolg daarvan dat de minimumpremie en de maximumpremie stijgen. Werkgevers die de minimumpremie of de maximumpremie betalen, betalen daardoor ook mee aan de bovengenoemde kosten.

jaar:

WGA-vast

WGA-flex

totaal

2009

0,47%

0,47%

2010

0,59%

0,59%

2011

0,62%

0,62%

2012

0,55%

0,55%

2013

0,54%

0,54%

2014

0,51%

0,18%

0,69%

2015

0,50%

0,25%

0,75%

2016

0,48%

0,25%

0,73%

2017

0,76%

2018

0,77%

2019

0,77%

2020

0,76%

Het rekenpercentage is in bovenstaand overzicht in 2020 vervangen door het gemiddelde percentage.

Dat het gemiddelde percentage in 2020 lager is dan het rekenpercentage in 2019 is opmerkelijk, omdat een stijging voor de hand zou hebben gelegen, gelet op de bovenbedoelde opslag wegens extra kosten en het feit dat uit de premie de afgelopen jaren nog niet de maximale tien jaar van alle WGA-uitkering werd betaald. Voor wat betreft de WGA-uitkeringen van werknemers met een vast dienstverband is er volledige instroom: vanaf 2006 (vanwege de invoering van de WIA per 29 december 2005). Voor wat betreft de WGA-uitkeringen van werknemers met een flexibel dienstverband is er echter slechts instroom vanaf 2012 (vanwege het overgangsrecht bij de invoering van de Wet Bezava, artikel 2.1 onder g jo. artikel 2.1a Besluit Wfsv), waarbij dient te worden bedacht dat in het jaar 2012 gemiddeld nog geen sprake was van instroom gedurende een volledig jaar. Als gevolg van meer WGA-uitkeringen van werknemers met een flexibel dienstverband zou de premie nog tot en met 2022 blijven stijgen. Het feit dat het gemiddelde percentage desondanks daalt, wordt door het UWV verklaard door de gestegen WGA-lasten worden gecompenseerd door een (als gevolg van de economische groei) gestegen loonsom van publiek verzekerde werkgevers, waardoor de gestegen WGA-lasten ook worden gedekt door een grotere premieopbrengst.

gemiddelde werkgeversrisicopercentage

Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage vertegenwoordigt het risico op instroom in de WGA van de gemiddelde publiek verzekerde werkgever in Nederland. Het individueel berekende percentage van de publiek verzekerde werkgever wordt daartegen afgezet om te bepalen of de werkgever een toeslag op het rekenpercentage moet betalen, dan wel of de werkgever daarop een korting krijgt. Derhalve geldt: hoe hoger het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, hoe eerder sprake is van een korting en hoe later sprake is van een toeslag. Een hoog gemiddeld werkgeversrisicopercentage is dus voordelig.

jaar:

WGA-vast

WGA-flex

totaal

2009

0,71%

2010

0,36%

2011

0,28%

2012

0,22%

2013

0,23%

2014

0,27%

0,02%

0,29%

2015

0,28%

0,06%

0,34%

2016

0,27%

0,09%

0,36%

2017

0,35%

2018

0,41%

2019

0,41%

2020

0,48%

Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage is gestegen.

Overigens worden het gemiddelde werkgeversrisicopercentage en het individuele werkgeversrisicopercentage sinds 1 januari 2014 niet meer op geheel dezelfde wijze bepaald. Het individuele werkgeversrisicopercentage wordt bepaald door vergelijking van de aan de werkgever toe te rekenen uitkeringen (over het kalenderjaar gelegen twee jaar voor het kalenderjaar waarvan de premie moest worden vastgesteld, aangeduid als het jaar t-2) met de gemiddelde premieplichtige loonsom over de jaren gelegen twee tot en met zes jaar voor het kalenderjaar waarvan de premie moest worden vastgesteld, aangeduid als de jaren t-2 tot en met t-6). Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage werd tot 1 januari 2014 op dezelfde wijze bepaald maar dan aan de hand van de uitkeringen en loonsommen van alle publiek verzekerde werkgevers in Nederland. Sinds 1 januari 2014 wordt bij de berekening van het gemiddelde werkgeversrisicopercentage niet langer uitgegaan van de gemiddelde loonsom over de jaren t-2 tot en met t-6, maar van de loonsom over het jaar t-2. Vanaf 1 januari 2020 wordt het gemiddelde premiepercentage voor de (alleen voor de WGA) weer berekend over t-2 tot en met t-6. In een formule:

· individuele werkgeversrisicopercentage = WGA-uitkeringen jaar t-2 : gemiddelde premieloonsom jaar t-6 tot en met jaar t-2 x 100%

Dit is voor werkgevers in het algemeen gunstig. Uitgaande van een (in het algemeen) stijgende loonsom betekent dit namelijk dat bij het gemiddelde werkgeversrisicopercentage de WGA-uitkeringen worden afgezet tegen een verhoudingsgewijs lage loonsom. Dat betekent dat het gemiddelde werkgeversrisicopercentage verhoudingsgewijs hoog uitvalt. Daardoor zal een vergelijking met het individuele werkgeversrisicopercentage minder snel leiden tot de toekenning van een opslag op het gemiddelde percentage.

correctiefactor

jaar:

WGA-vast

WGA-flex

totaal

2009

0,69

2010

1,47

2011

1,96

2012

1,90

2013

1,78

2014

1,44

2,00

2015

1,36

2,00

2016

1,34

2,00

2017

1,47

2018

1,42

2019

1,42

2020

1,18

Ook de correctiefactor is gelijk gebleven ten opzichte van 2018.

De correctiefactor geeft de factor aan waarmee het verschil tussen het gemiddelde en het individuele werkgeversrisicopercentage wordt vermenigvuldigd om de toeslag of de korting te bepalen die op het gemiddelde percentage wordt gegeven. Een hoge correctiefactor is derhalve gunstig voor werkgevers met een benedengemiddeld werkgeversrisicopercentage omdat zij dan een hogere korting krijgen, maar is ongunstig voor werkgevers met een benedengemiddeld werkgeversrisicopercentage omdat zij dan een hogere toeslag krijgen.

minimumpremie

De minimumpremie bedraagt 25% van het gemiddelde percentage (0,75%).

jaar:

WGA-vast

WGA-flex

totaal

klein

groot

2009

0,27%

0,00%

2010

0,59%

0,06%

2011

0,56%

0,07%

2012

0,48%

0,13%

2013

0,47%

0,13%

2014

0,12%

0,04% (feitelijk: 0,14%*)

0,16%

2015

0,12%

0,06% (feitelijk: 0,13%*)

0,18%

2016

0,11% (feitelijk 0,12%*)

0,06% (feitelijk: 0,07%*)

0,17%

2017

0,18%

2018

0,18%

2019

0,18%

2020

0,19%

* Feitelijk valt de berekening van de premie bij het volledig ontbreken van toe te rekenen WGA-uitkeringen hoger uit dan de wettelijk vastgestelde minimumpremie.

De minimumpremie is dus licht gestegen. Dit is een beoogd gevolg van de afschaffing van het rekenpercentage (zie boven).

maximumpremie

De maximumpremie bedraagt vier maal het gemiddelde percentage (0,75%) dat ten grondslag ligt aan de berekening van het rekenpercentage.

jaar:

WGA-vast

WGA-flex

totaal

klein

groot

2009

1,47%

1,96%

2010

1,59%

2,12%

2011

1,65%

2,20%

2012

1,59%

2,12%

2013

1,56%

2,08%

2014

1,96%

0,68%

2,64%

2015

1,92%

0,96%

2,88%

2016

1,88%

0,96%

2,84%

2017

2,96%

2018

3,00%

2019

3,00%

2020

3,04%

De maximumpremie is dus licht gestegen. Dit is een beoogd gevolg van de afschaffing van het rekenpercentage (zie boven).

Gevolgen voor (middel)grote werkgevers

De gevolgen van de vaststelling van de gedifferentieerde premie voor de (middel)grote werkgever kunnen het beste in beeld worden gebracht aan de hand van een voorbeeld, waarbij de financiële gevolgen van de toekenning van een WGA-uitkering aan een (ex-) werknemer voor het premieonderdeel WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen van de gedifferentieerde premie van de werkgever worden berekend.

Stel:

· een grote werkgever heeft in 2020 een premieplichtige loonsom van € 4.000.000;

· die loonsom is steeds jaarlijks ten opzichte van het kalenderjaar daarvoor met 3% gestegen;

· aan de betreffende werkgever worden in het betreffende premiejaar € 10.000 aan arbeidsongeschiktheidslasten (uitbetaalde WGA-uitkeringen van werknemers over het kalenderjaar dat twee jaar daarvóór is gelegen) toegerekend.

De premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie bedraagt dan in 2020 € 20.800, dat is dus 2,08 maal het bedrag van de WGA-uitkering dat tot die premieverhoging aanleiding gaf! Zelfs als daarvan eerst nog de minimumpremie zou worden afgetrokken die ook verschuldigd zou zijn als geen WGA-uitkeringen aan de werkgever worden toegerekend[3] (0,19% = € 7.600), dan zou ook dan nog steeds € 13.200 meer premie verschuldigd zijn als gevolg van het uitkeringsbedrag van twee jaar eerder.

In de voorgaande jaren zou een uitkeringsbedrag van € 10.000 hebben geleid tot een stijging van de gedifferentieerde premie van:

jaar:

WGA-vast

WGA-flex

totaal

2014

€ 21.098

€ 27.200

2015

€ 20.000

€ 27.600

2016

€ 19.600

€ 25.200

2017

€ 23.600

2018

€ 23.200

2019

€ 23.200

2020

€ 20.800

Voor middelgrote werkgevers zijn de gevolgen uiteraard wat minder ernstig omdat de gevolgen voor hen gematigd worden doordat een deel van de premie bepaald wordt door de vaste sectorale premie. Het bedrag van de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie bedraagt voor hen in het bovengenoemde voorbeeld in 2020 (uitgaande van de sectorale premie van de sector 44, zakelijke dienstverlening II):

· bij een premieplichtige loonsom van € 3.000.000: € 17.400 (af: minimumpremie € 6.600 = € 10.800);

· bij een premieplichtige loonsom van € 2.000.000: € 12.200 (af: minimumpremie € 5.400 = € 6.800);

· bij een premieplichtige loonsom van € 1.000.000: € 5.900 (af: minimumpremie € 3.200 = € 2.700).

Deze premiestijging is niet verzekerd en komt dus steeds voor rekening van de werkgever. De wijze waarop de gedifferentieerde premie wordt berekend blijft dus een sterke stimulans geven om eigenrisicodrager voor de WGA te worden. Om eigenrisicodrager te kunnen worden voor de WGA is echter een garantie van een bank of verzekeraar noodzakelijk, die als regel niet zonder verzekering wordt gegeven. De vraag die vervolgens rijst is voor welk premiepercentage een verzekeraar het WGA-risico van de werkgever wil verzekeren.

basispremie

De basispremie voor 2020 is nog niet vastgesteld, maar de basispremie bedroeg in de afgelopen jaren:

jaar:

basispremie:

2009

5,70%

2010

5,70%

2011

5,65%

2012

5,05%

2013

4,65%

2014

4,95%

2015

5,25%

2016

5,88%

2017

6,16%

2018

6,27%

2019

6,46%

Ondanks dat de werkgevers nu ook een gedifferentieerde premie betalen voor de WGA-uitkeringen van werknemers met een flexibel dienstverband, welke voorheen uit de basispremie betaald werden, is de basispremie dus sinds 2013 niet gedaald maar juist gestegen naar 6,46% (met 38,9%)! Tegelijkertijd steeg het gemiddelde percentage (voorheen rekenpercentage) nu van de gedifferentieerde premie die is betaald voor WGA-uitkeringen van 0,54% in 2013 naar 0,76% in 2018 (een stijging met 40,7%!).

De werkgever die in 2013 een gedifferentieerde premie betaalde die gelijk is aan het rekenpercentage (derhalve de "gemiddelde” werkgever) betaalde toen 4,65% basispremie en 0,54% gedifferentieerde premie, ofwel 5,19%. In 2019 betaalde deze werkgever 6,46% basispremie en 0,76% gedifferentieerde premie ofwel 7,22%. Dat is een stijging van 39% in zes jaar tijd! Let wel: dit is nog exclusief de lasten van loondoorbetaling of Ziektewetuitkering in de eerste 104 weken van ziekte.

Premiecomponent ZW-lasten

De premies en parameters zijn als volgt vastgesteld:

Rekenpercentage (tot en met 2019/gemiddelde percentage (2020)

jaar:

ZW-lasten

2014

0,34%

2015

0,40%

2016

0,39%

2017

0,40%

2018

0,45%

2019

0,47%

2020

0,52%

Het gemiddelde percentage (voorheen rekenpercentage) is gestegen.

gemiddelde werkgeversrisicopercentage

jaar:

ZW-lasten

2014

0,10%

2015

0,22%

2016

0,23%

2017

0,35%

2018

0,24%

2019

0,26%

2020

0,32%

Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage is gestegen. Dat is gunstig voor werkgevers omdat dan minder snel een toeslag op het gemiddelde percentage moet worden betaald.

correctiefactor

jaar:

ZW-lasten

2014

2,00

2015

1,42

2016

1,30

2017

1,42

2018

1,45

2019

1,39

2020

1,21

De correctiefactor is gedaald. Dat is ongunstig voor werkgevers met een benedengemiddeld werkgeversrisicopercentage omdat zij dan een lagere korting krijgen, maar is gunstig voor werkgevers met een bovengemiddeld werkgeversrisicopercentage omdat zij dan een lagere toeslag krijgen.

minimumpremie

De minimumpremie bedraagt 25% van het gemiddelde percentage (0,52%).

jaar:

ZW-lasten

2014

0,07% (feitelijk 0,14%)*

2015

0,08%

2016

0,09%

2017

0,08%

2018

0,10%

2019

0,10%

2020

0,13%

* Feitelijk valt de berekening van de premie bij het volledig ontbreken van toe te rekenen Ziektewetuitkeringen echter zodanig uit dat steeds minimaal 0,14% wordt betaald. Dit is een rekenkundig gevolg van de wettelijk geregelde maximering van de correctiefactor op 2,00.

De minimumpremie is fors gestegen.

maximumpremie

De maximumpremie bedraagt vier maal het gemiddelde percentage (0,52%).

jaar:

ZW-lasten

2014

1,24%

2015

1,40%

2016

1,44%

2017

1,40%

2018

1,64%

2019

1,72%

2020

2,08%

De maximumpremie is fors gestegen.

Gevolgen voor (middel)grote werkgevers

De gevolgen van de vaststelling van de gedifferentieerde premie voor de (middel)grote werkgever worden ook hier in kaart gebracht door het bovengenoemde voorbeeld, dat wil zeggen:

Stel:

· een grote werkgever heeft in 2019 een premieplichtige loonsom van € 4.000.000;

· die loonsom is steeds jaarlijks ten opzichte van het kalenderjaar daarvoor met 3% gestegen;

· aan de betreffende werkgever worden in het betreffende premiejaar € 10.000 aan arbeidsongeschiktheidslasten (uitbetaalde Ziektewetuitkeringen van werknemers over het kalenderjaar dat twee jaar daarvóór is gelegen) toegerekend.

De premiecomponent ZW-lasten van de gedifferentieerde premie bedraagt dan in 2020 € 18.800, dat is dus 1,88 maal het bedrag van de Ziektewetuitkering dat tot die premieverhoging aanleiding gaf! Zelfs als daarvan eerst nog de minimumpremie zou worden afgetrokken die ook verschuldigd zou zijn als geen Ziektewetuitkeringen aan de werkgever worden toegerekend[4] (0,13% = € 5.200), dan zou ook dan nog steeds € 13.600 meer premie verschuldigd zijn als gevolg van het uitkeringsbedrag van twee jaar eerder.

In de voorgaande jaren zou een uitkeringsbedrag van € 10.000 hebben geleid tot een stijging van de gedifferentieerde premie van:

jaar:

ZW-lasten

2014

€ 28.170

2015

€ 19.200

2016

€ 18.000

2017

€ 19.200

2018

€ 20.000

2019

€ 20.000

2020

€ 18.800

Voor middelgrote werkgevers zijn de gevolgen uiteraard wat minder ernstig omdat de gevolgen voor hen gematigd worden doordat een deel van de premie bepaald wordt door de vaste sectorale premie. Het bedrag van de premiecomponent ZW-lasten van de gedifferentieerde premie bedraagt voor hen in het bovengenoemde voorbeeld in 2020 (uitgaande van de sectorale premie van de sector 44, zakelijke dienstverlening II):

· bij een premieplichtige loonsom van € 3.000.000: € 16.200 (af: minimumpremie € 5.100 = € 11.100);

· bij een premieplichtige loonsom van € 2.000.000: € 11.600 (af: minimumpremie € 4.600 = € 7.000);

· bij een premieplichtige loonsom van € 1.000.000: € 5.700 (af: minimumpremie € 2.900 = € 2.800).

Deze premiestijging is niet verzekerd en komt dus steeds voor rekening van de werkgever. De wijze waarop de gedifferentieerde premie wordt berekend blijft dus ook bij de Ziektewet een sterke stimulans geven eigenrisicodrager voor de Ziektewet te worden, mede gelet op het feit dat bij een overstap naar het eigenrisicodragen het inlooprisico van bestaande arbeidsongeschiktheidsgevallen bij het UWV kan worden achtergelaten. Omdat voor het eigenrisicodragen in de Ziektewet geen garantie van een bank of verzekeraar vereist is, kan een werkgever ook besluiten om het risico van betaling van Ziektewetuitkeringen aan ex-werknemers ook echt zelf te dragen.


10. Overzicht wetgevende maatregelen

De stand van zaken van de volgende wetsvoorstellen is als volgt:

· Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten om de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten te verbeteren (Wet arbeidsmarkt in balans), wetsvoorstel nr. 35074

Gepubliceerd in Staatsblad 2019, 219. Inwerkingtreding per 1 januari 2020 (Besluit van 11 juli 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans, Staatsblad 2019, 266)

Zie stukken vaktechnisch overleg arbeidsrecht en werknemersverzekeringen december 2018.



[1] = € 3.370.000 - € 337.000

[2] = € 3.370.000 - € 337.000

[3] Dit is alleen aan de orde als niet reeds een WGA-uitkering van een andere (ex-) werknemer in aanmerking wordt genomen.

[4] Dit is alleen aan de orde als niet reeds een Ziektewetuitkering van een andere (ex-) werknemer in aanmerking wordt genomen.