Banksparen met ontslagvergoeding

Jaar en kwartaal
2009, 4e kwartaal
Nummer
5

Bronnen:

  • Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2010), wetsontwerp 32128



De vergoeding die een werknemer bij gelegenheid van zijn ontslag ontvangt in verband met het door het ontslag te derven loon, vormt voor de werknemer loon uit vroegere dienstbetrekking. Dat betekent dat de werkgever op de ontslagvergoeding loonbelasting maar geen premies werknemersverzekeringen dient in te houden.

De werknemer die over de ontslagvergoeding niet direct loonbelasting ingehouden wenst te zien kan gebruik maken van de stamrechtvrijstelling van artikel 11 lid 1 onder g van de Wet op de Loonbelasting. Als aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan blijft de ontslagvergoeding onbelast, waartegenover staat dat de in de toekomst uit te keren termijnen van het aan te kopen stamrecht (= recht op periodieke uitkeringen) belast zijn. De derde van wie het stamrecht is bedongen dient bij de uitkering van de termijnen loonbelasting in te houden en af te dragen.

Om van de stamrechtvrijstelling gebruik te kunnen maken moeten zowel het aan te kopen stamrecht als de derde van wie het stamrecht wordt bedongen aan wettelijke eisen voldoen.

Het stamrecht moet toekomen aan de werknemer, aan zijn echtgenoot, echtgenote of partner of aan zijn (pleeg)kinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. De periodieke uitkeringen aan de werknemer mogen niet later ingaan dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De periodieke uitkeringen aan echtgenoot, echtgenote, partner of (pleeg)kinderen moeten ingaan bij het overlijden van de werknemer.

De derde van wie het stamrecht wordt bedongen moet een pensioenfonds of verzekeraar zijn dan wel een B.V. waarvan de werknemer directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet (dat wil zeggen dat hij houder moet zijn van tenminste 10% van de aandelen). Ook mogelijk maar in de praktijk nauwelijks voorkomend is de werkgever/natuurlijke persoon. 

In alle gevallen moet de storting van de koopsom voor het stamrecht door de werkgever worden gedaan en niet door de werknemer, omdat deze dan over de koopsom heeft beschikt. Daarmee is deze dan genoten en dus belast.

De regering wil de mogelijkheid van banksparen uitbreiden omdat dit leidt tot meer concurrentie tussen financiële aanbieders en grotere transparantie in de kostenstructuren bij financiële aanbieders. Daarom wordt de mogelijkheid van banksparen per 1 januari 2010 ook geïntroduceerd bij de ontslagvergoeding. Daartoe wordt een nieuw artikel 11a opgenomen in de Wet op de Loonbelasting 1964.

Krachtens dat artikel worden de bedragen die de werkgever ten behoeve van een werknemer overmaakt op een stamrechtspaarrekening bij een bank of die de werkgever ten behoeve van een werknemer overmaakt aan een beleggingsinstelling ter verkrijging van een stamrechtbeleggingsrecht, gelijk gesteld met de betaling van een koopsom voor een stamrecht. Het gestorte bedrag mag alleen worden gebruikt voor het doen van dezelfde periodieke uitkeringen als thans reeds het geval is bij de stamrechtvrijstelling. Rendementen moeten worden bijgeboekt op de stamrechtspaarrekening dan wel worden aangewend ter verkrijging van stamrechtbeleggingsrechten.

Ook in dit geval zijn er voorwaarden aan de uitkeringen, zowel in het geval van uitkering aan de werknemer zelf (ook hier geen latere ingangsdatum dan 65 jaar) en in geval van uitkering aan zijn nabestaanden (ook hier directe ingang). Die voorwaarden worden nader uitgewerkt in een ministeriële regeling en zullen onder meer inhouden dat er tenminste een aantal jaren moet liggen tussen de eerste en de laatste uitkering, zodat er tenminste enige mate van onzekerheid blijft over het aantal te verstrekken uitkeringen (overlijdensrisico).

Uiteraard zijn ook bij banksparen de uitkeringen belast, zodat loonbelasting moet worden ingehouden.

Te verwachten valt dat het banksparen bij ontslagvergoedingen een ruime toepassing zal gaan vinden. Net als bij een stamrecht-B.V. heeft banksparen het voordeel dat een eventueel overschot na overlijden (belast) toevalt aan de nabestaanden. Anders dan bij de stamrecht-B.V. zijn er echter niet de kosten aan het oprichten en instandhouden (jaarlijkse jaarrekeningen) van een B.V. aan verbonden. Daardoor is banksparen met name interessant voor relatief kleine ontslagvergoedingen. Net als bij de stamrecht-B.V. staat tegenover het voordeel dat een eventueel overschot na overlijden toekomt aan de nabestaanden, wel het nadeel dat bij lang leven van de uitkeringsgerechtigden het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van de periodieke uitkeringen ontoereikend kan blijken te zijn. Er is immers geen sprake van een verzekeringsproduct.

Net als bij de storting van een koopsom voor een stamrecht bij een verzekeraar of stamrecht-B.V. doen werkgevers die een ontslagvergoeding storten op een stamrechtspaarrekening of ter verkrijging van een stamrechtbeleggingsrecht er goed aan zich er van te overtuigen dat die spaarrekening c.q. het beleggingsrecht en de derde aan wie de bedragen worden overgemaakt voldoen aan de wettelijke voorwaarden die gelden voor de vrijstelling van loonbelasting. Bij het overeenkomen van de ontslagvergoeding kan daartoe door de werkgever van de werknemer worden bedongen dat hij in voorkomend geval een verklaring ter zake overlegt van de belastingdienst, de bank of de beleggingsinstelling.

Het wetsvoorstel moet nog door de Tweede Kamer worden aangenomen