Bronnen:
- Wet van 29 maart 2017 tot wijziging van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met het van toepassing
verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht, Staatsblad
2017, nummer 290
- Besluit van 20 december 2017, houdende wijziging van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag inzake een tijdelijke uitzondering van het wettelijk minimumloon voor een bestaande groep zorgverleners met een familierelatie in verband met bijzondere omstandigheden, Staatsblad 2017, 506
Als gevolg van de Wet van 29 maart 2017 tot wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht (Staatsblad 2017, nummer 290) vallen sinds 1 januari 2018 overeenkomsten van opdracht in bepaalde gevallen ook onder de werking van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Het gaat dan om personen die:
- tegen beloning;
- arbeid verrichten;
- op basis van een overeenkomst van opdracht;
- anders dan in de zelfstandige uitoefening van
een beroep of bedrijf.
In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is daarbij echter de verplichting opgenomen om voor deze zorg een arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst van vervoer op te stellen. Een formele overeenkomst was nodig om controle en uitbetaling uit het persoonsgebonden budget door de Sociale verzekeringsbank mogelijk te maken.
In de praktijk werd voor een dergelijke overeenkomst meestal gekozen voor een overeenkomst van opdracht, omdat van een arbeidsovereenkomst geen sprake was aangezien de familieverhouding overheerste en een gezagsverhouding daardoor ontbrak. Doordat de overeenkomst van opdracht per 1 januari 2018 onder de werking van de WMLging vallen, ontstond het onbedoelde effect dat de budgethouder minimumloon verschuldigd werd aan zijn familieleden.
Om dit te voorkomen heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag gewijzigd door in een nieuw artikel 2aa te bepalen dat niet als dienstbetrekking te gelden heeft de arbeidsverhouding van degene:
- die krachtens een overeenkomst van opdracht tegen beloning maatschappelijke ondersteuning of zorg verleend, indien zijn beloning door de opdrachtgever wordt bekostigd met een persoonsgebonden budget; en
- die persoon een bloed-of aanverwant in de eerste of tweede graad dan wel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel is van degene met wie de overeenkomst is gesloten; en
- waarvan de overeenkomst door de Sociale verzekeringsbank vóór 1 januari 2018 is goedgekeurd of geadministreerd; en
- die met zijn opdrachtgever voor de verleende
zorg een tarief is overeengekomen dat (omgerekend) lager is dan € 10,93 per
gewerkt uur (overeenkomend met het wettelijk minimumloon inclusief
vakantietoeslag op basis van een 36-urige werkweek).